Klare taal les 20 - persoonlijk voornaamwoorden (2)

Klare taal les 20 - persoonlijk voornaamwoorden (2)
1 / 18
next
Slide 1: Slide
NT2ISK

This lesson contains 18 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Klare taal les 20 - persoonlijk voornaamwoorden (2)

Slide 1 - Slide

Wat gaan we vandaag doen?
Groep 1 - zelfstandig werken aan les 30 (werkwoorden met 'te') en les 31 (volgorde). 

Groep 2 - uitleg van mij over persoonlijk voornaamwoorden en daarna opdrachten maken

Slide 2 - Slide

Groep 1

Hlib
Hazem
Nour
Roni
Meti
Essa
Groep 2

Andrei
Ermyas
Anisa
Hamed
Mohammad Abbas
Mohammad Hammami
Mia
Darii
Rochyar

Slide 3 - Slide

Waar ging het vorige week over?

Slide 4 - Open question

Vorige week bij groep 1:
We hebben het gehad over scheidbare werkwoorden. 
Woorden zoals: opbellen, afmaken, aankomen, meebrengen...

Deze woorden kun je in twee stukken verdelen en uit elkaar halen.
Voorbeeld: De jongen brengt zijn laptop altijd mee.

Slide 5 - Slide

Regels
Bij een vervoeging van een scheidbaar werkwoord komt het eerste stukje van het woord achteraan.
Voorbeeld: opbellen - Ik bel op.

Bij gebruik van een hulpwerkwoord (willen, moeten, zullen, kunnen en mogen) komt het hele werkwoord achteraan.
Voorbeeld: Ik wil jou opbellen.

Slide 6 - Slide

Les 20: persoonlijk voornaamwoorden
Persoonlijk voornaamwoorden zijn woorden zoals:
hij, zij, hem, jullie, u, ik....

Er zijn een aantal regels voor het gebruiken van deze woorden:

Slide 7 - Slide

Wat zijn persoonlijk voornaamwoorden?

Slide 8 - Open question

Regels
Na een voorzetsel gebruik je:
mij, jou, u, haar, hem, ons, jullie en hen.

Maar wat is een voorzetsel?

Slide 9 - Slide

Wat is een voorzetsel?

Slide 10 - Open question

Regels
Een voorzetsel zijn woorden die een tijd, plaats of relatie aangeven. 
Voorbeeld: op, onder, in, uit, voor, van, achter... 

Dus de regel is: Na een voorzetsel gebruik je mij, jou, u, haar, hem, ons, jullie en hen.
Voorbeeld: Dit boek is van hem. / De jongen zit achter hen.

Slide 11 - Slide

Regels
Zonder voorzetsel:
mij/me, jou/je, u, haar, hem, ons, jullie, hen/hun/ze.

Voorbeeld:
Hij ziet mij/me. 
Hij ziet ze/hun.
Hij ziet haar. 

Slide 12 - Slide

Regels
Enkelvoud dingen: het of hem.
Voorbeeld: Waar is mijn bril? Ik zie hem niet. 
Heb je het boek bij je? Ik heb het nodig.

Meervoud dingen en personen: ze.
Voorbeeld: Waar zijn mijn sokken? Ik zie ze niet.
Waar zijn Ahmed en Patrick? Ik zie ze niet.

Slide 13 - Slide

Mijn ouders gaan op vakantie. De hond gaat met ... (zij) mee.

Slide 14 - Open question

Wil je naast ... (ik) zitten?

Slide 15 - Open question

Ik ga morgen met Peter en Sophie naar het museum.
Ik ga morgen met ... naar het museum.

Slide 16 - Open question

Welke zin is correct?
A
De leraar praat met zij.
B
De leraar praat met hun.
C
De leraar praat met ze.
D
De leraar praat met hen.

Slide 17 - Quiz

Welke zin is correct?
Is dat cadeautje voor...?
A
ik
B
mij
C
me
D
mijn

Slide 18 - Quiz