Uiteenzetting schrijven P2

Schrijfvaardig P2
Toets in de toetsweek: schrijven van een uiteenzetting

Check de studiewijzer op Classroom, ook voor huiswerk.
1 / 22
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Schrijfvaardig P2
Toets in de toetsweek: schrijven van een uiteenzetting

Check de studiewijzer op Classroom, ook voor huiswerk.

Slide 1 - Slide

Wat is een uiteenzetting?      
- Objectief
- Veel feiten
- Uitleggen
Tekstdoel: informeren

Geen mening van de schrijver! Er kan wel geciteerd worden (wat een deskundige zegt, bijvoorbeeld)

Slide 2 - Slide

Wat is een uiteenzetting?      

-De schrijver wil dat je begrijpt hoe iets in elkaar zit;
-De schrijver legt iets uit, beschrijft of verklaart.
-De hoofdgedachte is een constatering:
"Verre vakanties bij Nederlanders worden steeds populairder"

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Tekststructuur uiteenzetting:       
- Vraag-antwoordstructuur
- Verleden-heden-toekomststructuur
- Verschijnsel-verklaringsstructuur


Slide 5 - Slide

Indeling tekst:
Inleiding (welke 4 manieren ken je nog?)

Middenstuk (deelonderwerpen)

Slot (welke manieren ken je nog?)

Slide 6 - Slide

Aan de slag: lezen tekst
Bladzijde 188-189: waarom niet vroeger, maar juist nú alles beter is.

Kijk naar de titel, de inleiding en het slot: welke tekststructuur verwacht je bij deze tekst?

Slide 7 - Slide

Zelf aan de slag:
Uiteenzetting schrijven over het onderwerp gezondheid. Structuur: vraag- antwoordstructuur.

Stap 1: informatie verzamelen
Je haalt informatie uit een aantal bronnen in hoofdstuk 8.
Je kiest drie bronnen (artikelen) en markeert relevante informatie.



Slide 8 - Slide

Informatie verzamelen:
Stap 2:  Formuleer een hoofdvraag
Formuleer drie deelvragen

Slide 9 - Slide

Informatie verzamelen:
- tekst blz  58, 63, 66 en de geluksdriehoek op blz. 62.

- markeer de hoofdzaken in deze teksten.

-Formuleer een hoofdvraag en twee deelvragen.

Slide 10 - Slide

Aand8 voor taal in je uiteenzetting
-Elke zin begint met een hoofdletter en eindigt met een punt.
-Wissel de lengte van je zinnen af: enkelvoudige en
  samengestelde zinnen gebruiken. *
-Geen hoofdletter na een komma, alleen na een punt.
-Een voegwoord staat TUSSEN 2 zinnen, NA een komma.
-Een voegwoord begint (dus) niet met een hoofdletter.
-Hij wilt is fout! Het is 'hij wil'. 

Slide 11 - Slide

-Schrijf in de tegenwoordige tijd.
-Let op je werkwoordspelling: beloven, vinden, worden
-Let op enkelvoud/meervoud: bij mv komt er -n achter het werkwoord (de mensen schilderden een mooi portret)

Slide 12 - Slide

Enkelvoudige zinnen
Hij wil voetballen. Hij moet nog huiswerk maken.

De kinderen zijn heel erg blij. Ze hebben 10 euro gevonden.

Er stonden lange files op de snelweg. Een vrachtwagen was gekanteld.


Slide 13 - Slide

Werkwoordspelling
Is het werkwoord de persoonsvorm? JA? Dan komt er achter jij/hij/zij/het een -t in de tegenwoordige tijd.

--> Zij beloofd / belooft altijd dat het nooit meer zal gebeuren.

--> Dat heb je mij al eeuwen geleden beloofd / belooft!

Slide 14 - Slide

Vandaag is uiteenzetting 'vraag-antwoordstructuur' af, zowel op papier als in Classroom.

Checklist: controleer of alles klopt aan de hand van de checklist die je uitgedeeld krijgt.

Slide 15 - Slide

Het schrijfdoel van een uiteenzetting is:
A
Advies geven
B
Uitleg geven
C
Overtuigen
D
Informeren

Slide 16 - Quiz

In een uiteenzetting geeft de schrijver zijn of haar eigen mening of advies:
A
Waar
B
Niet waar

Slide 17 - Quiz

Een belangrijk kenmerk van de uiteenzetting is dat deze altijd .... is
A
Interessant
B
Objectief
C
Subjectief
D
Overtuigend

Slide 18 - Quiz

Een kernzin is geen vraag maar een mededeling (constatering)
A
waar
B
niet waar

Slide 19 - Quiz

Een tussenkopje is geen vraag, geen hele zin maar een woord of woordgroep
A
dat klopt!
B
nee dat klopt niet

Slide 20 - Quiz

Uiteenzetting vroeger-nu structuur
Je bespreekt de ontwikkeling van iets vanaf vroeger naar nu en de toekomst (voorspelling)
Inleiding:  eindigt met een constatering (de hoofdgedachte) 
Deelonderwerp 1 = situatie vroeger of: uitleggen wat het is
Deelonderwerp 2 = situatie nu
Deelonderwerp 3 = beschrijving toekomst
Slot = herhaling (samenvatting)

Slide 21 - Slide

Welke onderwerpen?

Slide 22 - Slide