PH4 Visievorming Bijeenkomst 1

PF4PHA Visievorming
Bijeenkomst 1
Mariël Hidding
Hidding.m@hsleiden.nl
1 / 36
next
Slide 1: Slide
PedagogiekHBOStudiejaar 4

This lesson contains 36 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 120 min

Items in this lesson

PF4PHA Visievorming
Bijeenkomst 1
Mariël Hidding
Hidding.m@hsleiden.nl

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Inhoud
LU
Bijeenkomsten
AI
Actualiteiten
Oogsten
Rollen van de leerkracht
Typologie van scholen
Wat is goed onderwijs?
Wat is een goede leraar?
Afsluiting

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Slide 3 - Video

Green school Indonesie

Slide 4 - Slide

Toetscriteria/LU doornemen
Bijeenkomsten
Bijeenkomst 1: LU, AI, actualiteiten, rollen leerkracht, typologie, wat is goed..
Bijeenkomst 2: (wet) Passend onderwijs, vragen, aantonen LU?
Bijeenkomst 3: Aantonen LU

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

Als je terugkijkt…

  • Welke ervaringen waren waardevol voor jou?
  • Wat is je duidelijk geworden?

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

Oogsten

Jouw visie op onderwijs hangt niet af van dit ogenblik, maar is het resultaat van allerlei factoren en ontwikkelingen in de afgelopen periode.


Slide 10 - Slide

This item has no instructions

Slide 11 - Slide

Zoek een foto of plaatje op dat jouw visie op onderwijs weergeeft.
Wissel uit met je buur.
Welke rollen heeft een leerkracht?

Slide 12 - Slide

De leraar als pedagoog, cultuurdrager, leider, begeleider, expert, ontwerper, onderzoeker, …
En hoe vervul jij deze rollen?
Welke heeft volgens jou prioriteit?
Hoe leren kinderen?

Slide 13 - Slide

Hoe leren kinderen? Ook link leggen naar Typologie van scholen:
 Het denken in termen van een lineair curriculum is verbonden met een behavioristische opvatting over leren.
Werken met een concentrisch curriculum is verbonden met een constructivistische opvatting over leren

Slide 14 - Slide

Jouw eigen mens- en wereldbeeld

Slide 15 - Slide

Typologie van Hooiveld
Lineair curriculum 
     Conformisme
Individugericht 
    organiseren
Groepsgewijs 
   organiseren
Concentrisch curriculum           Non-conformisme

Slide 16 - Slide

Met tape een kwadrant op de vloer markeren. Met behulp van de vragen uit de typologie positie bepalen. Wat maakt dat je daar staat? Kun je het onderbouwen met concreet leerkrachtgedrag. Als je luistert naar de onderbouwing van de ander, verandert daarmee nog iets aan jouw positie in het kwadrant?

Slide 17 - Slide

Leerkrachten met een lineaire opvatting over het curriculum gaan ervan uit dat leren stap voor stap verloopt. Het curriculum is verdeeld in kleine stappen of deelonderwerpen waarvan de volgorde vastligt. Deze manier van
denken zorgt ervoor dat een lineair curriculum goed is vast te leggen in
een methode. Leerkrachten die een lineair curriculum aanhangen maken dan ook graag gebruik van methoden. Lessen in een lineair curriculum zijn een
opeenvolging van instructies en oefeningen. De kwaliteit van het werken
met een lineair curriculum is gelegen in het getrouw volgen van methodes en
goed uitgevoerde instructie. Het denken in termen van een lineair curriculum
is verbonden met een behavioristische opvatting over leren.

Leerkrachten met een concentrische opvatting over leren gaan ervan uit dat
herhaalde confrontatie met een onderwerp of vaardigheid leidt tot verdieping en verbetering. Metaforen voor deze manier van kijken naar het curriculum zijn: het pellen van de ui, het trekken rond Jericho, het groeien van
de boom. Leerkrachten die kiezen voor een concentrisch curriculum werken graag met voor de leerlingen betekenisvolle gehelen, zoals thema’s en projecten. In het werk in de klas zie je vormen van ontdekkend leren, leren door doen, gesprekken. De leerkracht is hier niet alleen uitvoerder, maar ook ontwerper van onderwijs. Belangrijk voor de kwaliteit van het werken met een concentrisch curriculum is de reflectie door leerlingen. Werken met een concentrisch curriculum is verbonden met een constructivistische opvatting over leren.

Slide 18 - Slide

Sinds de 19e eeuw wordt er klassikaal lesgegeven. Een traditie die zich tot
in de 21e eeuw voortzet. De keuze voor klassikaal onderwijs, in de tijd van
rationalisatie van organisaties, komt voort uit de organiseerbaarheid. Het
is efficiënt om een groep leerlingen met min of meer dezelfde vorderingen
gezamenlijk instructie te geven en te laten oefenen. Een ander argument om
onderwijs groepsgewijs te organiseren is de veronderstelling dat leerlingen
in een groep van en met elkaar leren. Verder is er de verwachting dat werken
in een groep positieve effecten heeft op de sociale vorming van kinderen.

Kijkend naar klassen blijkt dat vorderingen ver uiteen kunnen liggen, soms is er wel tot vier jaar verschil in didactische leeftijd. De vaststelling dat de onderwijsbehoeften van leerlingen te veel verschillen om ze te laten profiteren
van klassikaal aangeboden instructie en oefeningen, is een argument om
te kiezen voor een meer individugerichte organisatie. Aan de keus voor meer
individueel organiseren kan ook een uitgesproken opvatting over mensen en
kinderen ten grondslag liggen. Dit merk je aan uitspraken als: “leerlingen
zijn eigenaar van hun eigen leren” en “leren is persoonlijk”.

Slide 19 - Slide

“Regels zijn regels” is een uitspraak die hoort bij een conformistische opvatting
over gedrag. Ook hoor je in dit verband vaak: “Als leerkracht moet je consequent zijn.” Er zijn vaste normen en structuren waar iedereen zich aan te houden heeft. Een leerkracht in de conformistische traditie zal op problemen reageren met het opstellen van regels. De manier om leerlingen tot gewenst gedrag te krijgen is straffen en belonen. Conformisme past goed bij een behavioristische opvatting over gedragsbeïnvloeding.

Een non-conformist wil vooral ruimte geven aan ontwikkeling. De non-conformist is gericht op een optimale individuele ontwikkeling. Niet ieder mens heeft hetzelfde nodig. Niet ieder mens hoeft zich hetzelfde te gedragen. In plaats van op normen, oriënteert een non-conformist zich op ruimer geformuleerde waarden. Reflectie op waarden en het overdenken van consequenties voor gedrag past in de non-conformistische traditie. Dialoog is dan ook een belangrijk sturingsmiddel. In plaats van regels op te stellen zoekt een non-conformist naar procedures. Procedures zijn onderhandelbaar en nuttig zolang ze bijdragen aan een doel. Een non-conformist voelt zich goed bij
relativisme.

Slide 20 - Slide

Didactische dimensie:
Scholen van het type B zijn te herkennen als klassikale scholen. Kinderen werken aan dezelfde inhoud, differentiatie vindt plaats door (de-)intensivering van instructie en begeleiding, aan aanpassing van taken. We noemen dit type scholen neoklassikale scholen.

In scholen van het type C vindt instructie plaats in kleine instructiegroepen.
Kinderen werken zelfstandig aan dag- en weektaken. In deze scholen wordt
veel werk gemaakt van het vaststellen van de onderwijsbehoeften van leerlingen, onderwijs wordt daaromheen georganiseerd. We noemen dit type
scholen geïndividualiseerde scholen.

Scholen van het type D richten zich op de individuele ontwikkeling van
kinderen. Daarbij wordt ontwikkeling vaak ruimer gezien dan in scholen van
het type C. Het gaat om ontwikkeling van talenten. Belangrijk in deze scholen
is de zelfsturing van leerlingen. Het eigenaarschap voor eigen leren staat
voorop. We noemen dit type scholen ontwikkelingsscholen.

In scholen van het type E werken kinderen vaak gezamenlijk aan thema’s en projecten. De bijdrage van kinderen hieraan hoeft niet gelijk te zijn. Deze scholen willen een leergemeenschap zijn. We noemen ze gemeenschapsscholen.

Pedagogische dimensie:

In scholen van het type B is het handelen van de leerkracht gericht op de regels en de structuur die nodig zijn om samen in de klas les te krijgen.
In scholen van het type C is de leerkracht erop gericht dat leerlingen het werk doen dat bij hen past. Centraal staat het individu met een leertaak.
Regels en structuren moeten ertoe leiden dat leerlingen elkaar niet storen.

In scholen van het type D is de leerkracht gericht op de individuele ontwikkeling van kinderen en de interactie die daaraan bijdraagt.

In scholen van het type E is de leerkracht erop gericht onderling verschillende
kinderen in een gemeenschap te laten samenleven en -werken.
Denk eens na over:
  • Welke typologie(ën) (B, C, D of E)spreekt je het meest aan en waarom?
  • Welke typologie(ën) (B, C, D of E) roepen vragen of bedenkingen op?
  • Welke aspecten van de verschillende typologieën vind je belangrijk in een school?
  • Zie je overeenkomsten tussen jouw voorkeuren en de beschreven typologieën?
  • Hoe zou je elementen van verschillende typologieën kunnen combineren in een ideale school?
  • Welke rol zie jij jezelf spelen in een school van dit type?



timer
5:00

Slide 21 - Slide

Studenten schrijven individueel hun antwoorden op.

Bv. Werk je het liefst groepsgewijs of meer individugericht?
​Wat zijn hiervoor argumenten of beweegredenen?​
​Is die voorkeur hetzelfde voor alle leerlingen en alle vak- en vormings- gebieden of zijn er verschillen?​
In groepjes van drie
Deel je antwoorden met elkaar en stel elkaar (kritische) vragen. 
Maak een mindmap of collage waarin je de belangrijkste kenmerken van de typologie(ën) weergeeft die jullie het meest aanspreekt en waarom.

timer
10:00

Slide 22 - Slide

Groepjes maken op basis van voorkeur typologie.
Presenteer
Elke groep presenteert kort hun mindmap of collage.
Wat zijn de overeenkomsten en verschillen tussen de groepjes?

Slide 23 - Slide

 Benadruk dat er geen "beste" typologie is, maar dat het belangrijk is om je bewust te zijn van je eigen voorkeuren en hoe deze je handelen als leerkracht kunnen beïnvloeden.

Slide 24 - Slide

Verschillende functies van onderwijs
Goed onderwijs en de cultuur van het meten.

Zie voor het inkijkexemplaar:
https://www.boomhogeronderwijs.nl/media/6/9789059318137_inkijkexemplaar.pdf

Vragen die besproken kunnen worden (bespreekpunten uit de vakdidactische kijkwijzer)
Deze theorie gaat over het handelen in een groter tijdsbestek en keuzes maken in het moment. Daarom is dit een theorie die je uitvraagt en zichtbaar te maken is in bijvoorbeeld een week of maandplanning.

Bespreekvragen:
  Welke ruimte zit er in jouw les voor vorming: het mogen laten zien wie je bent vanuit de doeldomeinen?
  Hoe zorg je ervoor dat je die drie doeldomeinen eigen maakt? Van abstract naar de onderwijspraktijk?
 Kan je vertellen wat de visie en het beleid van de school is met betrekking tot deze drie doeldomeinen? Wat vind je
ervan?
Kun je een voorbeeld geven van wanneer je kwalificatie/socialisatie/subjectwording faciliteert in jouw contact met
de kinderen?


Slide 25 - Open question

Traditionele onderwijsvernieuwers, wie zijn dit van links naar rechts?

1. Helen Parkhurst – Dalton
2. Freinet – Freinet onderwijs
3. Peter Petersen, uit het Duitse Jena - Jenaplan
4. Maria Montessori – Montessori onderwijs
5. Rudolf Steiner – Vrije school onderwijs

Slide 26 - Slide

Een eerste aanzet van inspirerende voorbeelden van moderne onderwijsvernieuwers en een traditionele onderwijsvernieuwer:
1: Alan Turingschool – kwaliteitsborging door standaardisering
2. Laterna magica – 0-12 jaar – unitonderwijs – pedagogisch medewerkers en leerkrachten vormen één team van coaches
3. Daltonschool De Leeuwerik, Leiderdorp

Slide 27 - Link

De School in Zandvoort

Slide 28 - Link

Basisschool het Dok (talentgedreven onderwijs)

Slide 29 - Link

De Pionier Leiden

Slide 30 - Slide

Wat is een goede leerkracht?

Slide 31 - Video

Duur 1:28 minuten
Je kunt de volgende drie vragen meenemen als start:
• Wat doet een goede juf of meester?
• Hoe moet een goede juf of meester zijn?
• Wat moet een goede juf of meester kunnen?
timer
5:00

Slide 32 - Slide

Je kunt de volgende drie vragen meenemen als start:
• Wat doet een goede juf of meester?
• Hoe moet een goede juf of meester zijn?
• Wat moet een goede juf of meester kunnen?

Vervolgens kun je je ingevulde leraarspin bekijken en jezelf de vragen stellen:

  • Vanuit welke waarden en normen werk ik? 
  • Wat is belangrijk voor mij in mijn werk? 
  • En wat zijn mijn belangrijkste drijfveren? 

Je kunt dan jouw eigen leraarspin invullen en deze samen met je overdenkingen, uitleg en andere toevoegingen bespreken met een collega, jouw team of een medestudent als startpunt voor het ontwikkelen van een (gezamenlijke) visie
op goed leraarschap.
Denk ook hier over na:
  • Vanuit welke waarden en normen werk ik?
  • Wat is belangrijk voor mij in mijn werk?
  • En wat zijn mijn belangrijkste drijfveren?

Slide 33 - Slide

This item has no instructions

Wat ik meeneem in 1 woord

Slide 34 - Mind map

This item has no instructions

Bijeenkomsten
Bijeenkomst 1: LU, AI, rollen leerkracht, typologie, wat is goed..
Bijeenkomst 2: (wet) Passend onderwijs, vragen, aantonen LU?
Bijeenkomst 3: Aantonen LU

Slide 35 - Slide

This item has no instructions

Slide 36 - Slide

This item has no instructions