Les 5.4 Reactiesnelheid beïnvloeden

Les 5.4 Reactiesnelheid beïnvloeden
1 / 44
suivant
Slide 1: Diapositive
ScheikundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

Cette leçon contient 44 diapositives, avec diapositives de texte et 1 vidéo.

time-iconLa durée de la leçon est: 50 min

Éléments de cette leçon

Les 5.4 Reactiesnelheid beïnvloeden

Slide 1 - Diapositive

Planning
  • Nakijken 5 en 6 (blz 92)
  • 5.3 Reactiesnelheid
  • Maken opgaven
  • Nakijken opgaven 

Slide 2 - Diapositive

Nakijken: 5 en 6 (blz 92)

Slide 3 - Diapositive

5
  • a) C2H6(g) + Br2(l) → C2H5Br(l) + HBr(g)
  • b)

Slide 4 - Diapositive

5
  • a) C2H6(g) + Br2(l) → C2H5Br(l) + HBr(g)
  • b)

Slide 5 - Diapositive

5c

Slide 6 - Diapositive

5
  • d) Gedurende de reactie nemen de ethaan- en broomconcentratie steeds verder af. Daardoor is er steeds minder beginstof om te reageren. De reactiesnelheid neemt dan gedurende de tijd af. Op het laatst lijkt de reactiesnelheid constant te worden.

Slide 7 - Diapositive

6
  • a) C6H12O6(aq) → 2 CO2(g) + 2 C2H5OH(aq)
  • b) De gisten gaan dan dood, waardoor de reactie niet meer kan plaatsvinden.
  • c) De reactie is exotherm. Er staat immers een minteken (−) voor het getal. Dat betekent dat er warmte vrijkomt. De reactor zal moeten worden gekoeld om de gisten niet dood te laten gaan.

Slide 8 - Diapositive

6d

Slide 9 - Diapositive

6e
  • e) De gisten groeien op de glucose. Er komen steeds meer gistcellen in de reactor, waardoor de reactiesnelheid steeds groter kan worden.

Slide 10 - Diapositive

Leerdoel
  • Je kunt verschillen in reactiesnelheid verklaren met het botsende-deeltjesmodel.
  • Je kunt verschillen in reactiesnelheid verklaren met behulp van katalyse en activeringsenergie.

Slide 11 - Diapositive

Reactiesnelheidfactoren
Er zijn vier factoren die de snelheid van een reactie kunnen beïnvloeden. Een reactie verloopt sneller als:
  • de temperatuur wordt verhoogd;
  • de concentratie van de beginstoffen wordt verhoogd;
  • de beginstoffen fijner worden verdeeld;
  • er een geschikte katalysator wordt toegevoegd

Slide 12 - Diapositive

Botsende-deeltjesmodel
  • Botsende-deeltjesmodel: Deeltjes bewegen constant bij kamertemperatuur en botsen voortdurend.
  • Effectieve botsing: Een botsing die leidt tot een chemische reactie.
  • Moleculen moeten met voldoende snelheid en op de juiste plek botsen.
  • Reactiesnelheid: Hoe meer effectieve botsingen per seconde, hoe sneller de reactie verloopt. 
  • Geactiveerde toestand: Kortstondige fase waarin A, B en C tijdelijk verbonden zijn.

Slide 13 - Diapositive

Reactiesnelheidfactoren
1. Concentratie
  • Concentratie: Hoeveelheid moleculen of ionen in een bepaald volume. 
  • Hogere concentratie → Meer botsingen: Grotere kans op effectieve botsingen per seconde en dus hogere reactiesnelheid

Slide 14 - Diapositive

Reactiesnelheidfactoren
2. Temperatuur
  • Beweging van moleculen: Moleculen bewegen voortdurend in een gas of vloeistof. Toevoer van energie verhoogt de bewegingssnelheid en temperatuur.
  • Botsingen bij hogere temperatuur: Meer en krachtigere botsingen per seconde.
  • Hogere temperatuur → Meer effectieve botsingen → Snellere reactie.

Slide 15 - Diapositive

Reactiesnelheidfactoren
2. Temperatuur
  • Beweging van moleculen: Moleculen bewegen voortdurend in een gas of vloeistof. Toevoer van energie verhoogt de bewegingssnelheid en temperatuur.
  • Botsingen bij hogere temperatuur: Meer en krachtigere botsingen per seconde.
  • Hogere temperatuur → Meer effectieve botsingen → Snellere reactie.

Slide 16 - Diapositive

  • Homogene mengsels: Gasmengsels en oplossingen waarin stoffen op deeltjesniveau zijn gemengd → Geen grensvlak aanwezig.
  • Heterogene mengsels: Stoffen zitten in groepen van vele moleculen of ionen → Wel een grensvlak aanwezig (bijv. emulsies, suspensies).

Slide 17 - Diapositive

Reactiesnelheidfactoren
3. Verdelingsgraad
  • Heterogeen reactiemengsel: Vaak bevat het een vaste stof als beginstof.
  • Verdelingsgraad: Hoe fijner een vaste stof is verdeeld, hoe sneller de reactie verloopt.
  • Contactoppervlak: Hoe hoger de verdelingsgraad, hoe groter het contactoppervlak tussen stoffen.
  • Groter contactoppervlak → Meer botsingen per seconde → Meer effectieve botsingen → Snellere reactie.

Slide 18 - Diapositive

Reactiesnelheidfactoren
4. Katalysator
  • Katalysator: Versnelt een reactie zonder zelf verbruikt te worden. 
  • Effect op activeringsenergie: Katalysator verlaagt de benodigde energie voor een effectieve botsing.
  • Energiediagram: verschil in activeringsenergie met/zonder katalysator.
  • Botsingen: Zachtere botsingen kunnen al effectief zijn, wat de reactiesnelheid verhoogt.
  • Constante energieniveaus: Beginstoffen en reactieproducten behouden hun energieniveau → Reactiewarmte (ΔE) blijft gelijk.

Slide 19 - Diapositive

Reactiesnelheidfactoren
4. Katalysator
  • Toepassing in auto’s: Katalysatoren verminderen de uitstoot van stikstofoxiden.
  • Voordelen voor industrie: Lagere reactietemperaturen → Goedkopere, milieuvriendelijkere en veiligere processen.

Slide 20 - Diapositive

Slide 21 - Vidéo

Voorbeeldopdracht 1

Slide 22 - Diapositive

Maken: 1 t/m 5 (blz 99)
Klaar? Maken 6 en 7 (blz 102)

Slide 23 - Diapositive

1
  • A, C, F en G

Slide 24 - Diapositive

2
  • a) Temperatuur: kamertemperatuur is circa 20 °C, koelkasttemperatuur is circa 4 °C.
  • b) Katalysator: met behulp van platina verloopt de reactie bij een lagere temperatuur al voldoende snel.
  • c) Verdelingsgraad: keukenzout is veel fijner verdeeld dan de kristallen in grof zeezout. De verdelingsgraad is dus groter bij een schepje keukenzout.
  • d) Verdelingsgraad: hoe platter de mouten, hoe groter het contactoppervlak.

Slide 25 - Diapositive

3a

Slide 26 - Diapositive

3a
In het begin is er nog geen bedorven voedsel. Bij een hogere temperatuur zal al snel meer
bedorven voedsel aanwezig zijn: de lijn loopt steiler. Het eindniveau bij hoge en lage
temperatuur is hetzelfde: uiteindelijk zal al het voedsel bedorven zijn en in beide gevallen zal
dat dezelfde hoeveelheid zijn.

Slide 27 - Diapositive

3b

Slide 28 - Diapositive

3b
In beide situaties is er in het begin geen suiker opgelost en daarom is de beginconcentratie
0 mol L−1. Bij poedersuiker is er een groter contactoppervlak dan bij een suikerklontje. De
watermoleculen zullen daarom vaker botsen op het oppervlak van de vaste suikerkristallen
en vinden er dus ook meer effectieve botsingen plaats. Daardoor zullen de watermoleculen sneller de suikermoleculen kunnen oplossen en gaat de reactiesnelheid omhoog. In het begin loopt de concentratie opgeloste suikermoleculen snel op bij de poedersuiker. Bij een
suikerklontje is het contactoppervlak kleiner en zullen er dus minder effectieve botsingen
plaatsvinden. De reactiesnelheid is lager. De hoeveelheid suiker is hetzelfde, dus de
eindconcentratie ook.

Slide 29 - Diapositive

3c

Slide 30 - Diapositive

3c
In het begin is er nog geen suiker; vandaar dat de grafiek bij 0 begint. Bij een hogere zetmeelconcentratie zal er meer suiker in de oplossing komen. Daarom zal de lijn met een
hogere concentratie hoger eindigen dan die met een lagere concentratie. Omdat de concentratie hoger is, zullen er meer omzettingen per seconde plaatsvinden. Bij een lagere concentratie zal de grafiek dus minder steil lopen dan bij een hogere concentratie.

Slide 31 - Diapositive

4
  • a) Oppervlak: A = l · b. Een zijvlak heeft een oppervlak van 1,0 cm2. Een kubus heeft zes zijvlakken. Het totale oppervlak is dan 6,0 cm2

Slide 32 - Diapositive

4b

Slide 33 - Diapositive

4b

Slide 34 - Diapositive

4c

Slide 35 - Diapositive

4c

Slide 36 - Diapositive

4
  • d) Het oppervlak van het grote blok is 6 cm2 (opdracht a). Het oppervlak van het kleine blok is 12 cm2      12:6 = 2. Het oppervlak is nu vergroot met een factor 2.
  • e) Het zaagsel heeft een groter contactoppervlak. Daardoor vinden er meer botsingen tussen de moleculen plaats. Er zullen dan ook meer effectieve botsingen per tijdseenheid plaatsvinden, met als gevolg dat de snelheid van de verbranding toeneemt.  

Slide 37 - Diapositive

5
  • a) Door de hogere verdelingsgraad van de schelpen is het contactoppervlak groter waardoor de kans op effectieve botsingen groter wordt. Het aantal effectieve botsingen per seconde neemt toe waardoor de reactiesnelheid toeneemt. De reactie is sneller afgelopen, maar er wordt wel evenveel CO2 gevormd, omdat de totale hoeveelheid schelpen even groot is

Slide 38 - Diapositive

5
  • b) Door de lagere zoutzuurconcentratie wordt de kans op een effectieve botsing tussen de H+ (aq)-ionen (zoutzuur) en de CaCO3-deeltjes steeds kleiner. Het aantal effectieve botsingen per seconde neemt af waardoor de reactiesnelheid afneemt. Het duurt dus langer voordat de reactie is afgelopen, maar er wordt wel evenveel CO2 gevormd, omdat de totale hoeveelheid schelpen even groot is.

Slide 39 - Diapositive

5
  • c) Annemijn: Bij de reactie ontwijkt koolstofdioxide waardoor de massa van de stof in de erlenmeyer afneemt tijdens de reactie. De snelheid van de massa-afname is een maat voor de snelheid van de reactie.
  • Mitch: Bij de reactie ontwijkt koolstofdioxide waardoor je de gastoename kunt opmeten. De snelheid van de volumetoename is een maat voor de snelheid van de reactie.
  • Dus beide manieren zijn geschikt.

Slide 40 - Diapositive

Maken 6 en 7 (blz 102)

Slide 41 - Diapositive

6
  • a) 2 H2O2(aq) → 2 H2O(l) + O2(g) 
  • b) ΔE = Ev(reactieproducten) − Ev(beginstoffen)
  • Ev(H2O2) = −1,88∙105 J mol−1         (Binas tabel 57A)
  • Ev(H2O(l)) = −2,86∙105 J mol−1        (Binas tabel 57A)
  • Ev(O2) = 0 J mol−1                                 (O2 is een element)
  • ΔE = (2 ∙ Ev(H2O(l)) + 1 ∙ Ev(O2)) − (2 ∙ Ev(H2O2))
  • ΔE = (2 × −2,86∙105 + 1 × 0) − (2 × −1,88∙105) = −1,96∙105 J per 2 mol H2O2, dus:
  • ΔE =−1,96∙105 : 2 = −0,98∙105 J mol−1

Slide 42 - Diapositive

6
  • e) 







  • f) Door een grotere concentratie katalysator zullen meer deeltjes kunnen botsen met de katalysator. Hierdoor vinden er meer effectieve botsingen plaats per tijdseenheid. De reactiesnelheid zal daardoor stijgen.

Slide 43 - Diapositive

7
  • a) Een zetmeelmolecuul is een keten van glucosemoleculen. Maltose bestaat uit twee gekoppelde glucosemoleculen. Het enzym amylase knipt de keten van glucosemoleculen waaruit zetmeel bestaat in setjes van twee los. Zo ontstaan maltosemoleculen.
  • b) C12H22O11(s) + H2O(l) → 2 C6H12O6(s)
  • c) Het enzym versnelt de reactie, maar wordt zelf niet verbruikt. Na de hydrolyse is het vrije enzym weer terug gevormd.
  • d Normaal gesproken geldt voor reacties: hoe hoger de temperatuur, des te hoger de
  • reactiesnelheid. De werking van enzymen is temperatuurafhankelijk. In het menselijk lichaam
  • is voor veel enzymen de optimale temperatuur 37 °C. Als de temperatuur te hoog wordt, gaat
  • de werking van het enzym blijvend verloren.
  • Geef een mogelijke verklaring op microniveau waarom enzymen niet meer functioneren als
  • ze tot een te hoge temperatuur worden verhit.
  • Een enzym is een eiwit. De structuur van een enzym verandert bij een hoge temperatuur. Dat
  • betekent dat het actieve centrum wellicht anders gevormd is. Hierdoor past het
  • substraatmolecuul niet meer in de actieve holte.
     

Slide 44 - Diapositive