Taalverzorging grammatica: Bijvoeglijk naamwoord en voorzetsels

Welkom terug 1 mavo
Volg het stappenplan, dan maken we er een goede les van.
Stap 1: Pak je boek, schrift en je Chromebook.
Stap 2: Doe je telefoon in de telefoontas.
Stap 3: Log in bij LessonUp met je eigen naam
1 / 14
suivant
Slide 1: Diapositive
NederlandsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 1

Cette leçon contient 14 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 50 min

Éléments de cette leçon

Welkom terug 1 mavo
Volg het stappenplan, dan maken we er een goede les van.
Stap 1: Pak je boek, schrift en je Chromebook.
Stap 2: Doe je telefoon in de telefoontas.
Stap 3: Log in bij LessonUp met je eigen naam

Slide 1 - Diapositive

Wat ga je doen?
Leerdoel: Ik kan het bijvoeglijk naamwoord en het voorzetsel benoemen in een zin.
Hoe bereik je dit doel?
1. Lezen
2. Zelfstandig nakijken huiswerk lijdend voorwerp
3. Nog 1 x oefenen lijdend voorwerp
4. Bijvoeglijk naamwoord en voorzetsel
5. Oefenen
6. Huiswerk

Slide 2 - Diapositive

Stillezen
timer
10:00
Pak je leesboek
Ga stillezen

Slide 3 - Diapositive

Nakijken huiswerk
Wat ga je doen? Zelfstandig het huiswerk nakijken. Het staat voor je klaar in SOM bij het huiswerk van vandaag.
Tijd: Je krijgt 5 minuten om je huiswerk na te kijken.
Klaar: Lees de theorie door op blz. 132 en 158.

Slide 4 - Diapositive

Ontleed de volgende zin helemaal (pv, zd, ow, wg, lv): De grootouders van Max vieren morgen hun 50-jarig huwelijksfeest.

Slide 5 - Question ouverte

De andere kant op: Benoem alle lidwoorden.

Slide 6 - Question ouverte

Leg in eigen woorden uit wat een zelfstandig naamwoord is.

Slide 7 - Question ouverte

Benoem de eigenschap uit de zin:
De zanger is goed.

Slide 8 - Question ouverte

Bijvoeglijk naamwoord en voorzetsel
Bijvoeglijk naamwoord: Dit zegt iets over het zelfstandig naamwoord. Dit kan voor of achter het zelfstandig naamwoord staan.
Voorbeelden:
1. De auto is groen van kleur.
2. De groene auto.

Stoffelijk bijvoeglijk naamwoord: Bijvoeglijk naamwoord die laat zien van welk materiaal het is gemaakt.
De gouden oorbellen. Een plastic emmer. (geen plasticen. Dat bestaat niet)


Slide 9 - Diapositive

Voorzetsel
Voorzetsel:  Geeft een plaats, tijd of reden/oorzaak aan.: voor, achter, naast, van, met, bij, vanwege, om, wegens etc.

Sommige werkwoorden hebben een vast voorzetsel: Wachten op, houden van, besteden aan.

Tip: Je kunt als ezelsbruggetje 'de kast' of 'de vakantie' gebruiken. 

Slide 10 - Diapositive

Noteer de bijvoeglijke naamwoorden en de voorzetsels uit de zin: Mijn fantastische telefoon zit in de broekzak.

Slide 11 - Question ouverte

Noteer de bijvoeglijke naamwoorden en voorzetsels uit de zin: In de Whatsappgroep vroeg Denise of ik haar nieuwe tas wel leuk vond.

Slide 12 - Question ouverte

Benoem alles taalkundig (lw, zn, bn, vz): In Den Haag zat de directeur van een groot bedrijf bij het raam.

Slide 13 - Question ouverte

Aan de slag
Maken: blz. 132 bijvoeglijk naamwoord: 1, 4 en 5
blz. 158: voorzetsel: 1, 2 en 5.
Hoe: De antwoorden noteer je in je schrift. Schrijf erbij welk hoofdstuk en welk onderdeel het is : H5 bijvoeglijk naamwoord.
Hulp: Vragen? Steek je vinger op.
Tijd: Tot het einde van de les kun je hieraan werken.
Klaar: Lezen (1mc) of je voorbereiden op de pitch (1mb)

Slide 14 - Diapositive