3 Vol spanning - 3.4 Schrijven en formuleren

3.4 Schrijven en formuleren
1 / 31
suivant
Slide 1: Diapositive
NederlandsMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 1

Cette leçon contient 31 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 90 min

Éléments de cette leçon

3.4 Schrijven en formuleren

Slide 1 - Diapositive

Uitje naar Utrecht
Vorige week ben ik met mijn moeder naar Utrecht geweest. Mijn moeder was jarig en dit was het cadeau voor mijn moeder. Mijn moeder vond het heel leuk om naar Utrecht te gaan. Mijn moeder wilde heel graag naar Utrecht, want mijn moeder wilde de Domtoren beklimmen. Toen mijn moeder en ik bij de Domtoren waren moesten mijn moeder en ik 221 treden beklimmen. Mijn moeder was heel moe toen mijn moeder en ik boven waren, maar mijn moeder vond het heel gaaf! 

Slide 2 - Diapositive

Doel
Ik weet waarom verwijswoorden worden gebruikt.

Ik kan verwijswoorden herkennen in de zin en weet waar het naar verwijst.

Ik kan verwijswoorden gebruiken in de zin. 

Slide 3 - Diapositive

timer
0:20
Welke verwijswoorden
ken jij al?

Slide 4 - Carte mentale

Waarom verwijswoorden?

De tekst (jouw verslag) wordt beter leesbaar.
Je schrijft niet steeds hetzelfde woord.

Vorige week ben ik met mijn moeder naar Utrecht geweest. Mijn moeder was jarig en dit was het cadeau voor mijn moeder. Mijn moeder vond het heel leuk om naar Utrecht te gaan.



Slide 5 - Diapositive

Welke verwijswoorden?

Slide 6 - Diapositive

Verwijswoorden
1. De slager gaat met pensioen. Hij is al 67 jaar oud. 

2. Grote slangen zijn vaak wurgslangen. Ze zijn niet giftig.

3. Morgen heeft Sofie een toets. Ze oefent met haar moeder.  Sofie zegt dat ze het moeilijk vindt. Ze oefenen daarom nog wat langer. 

Slide 7 - Diapositive

Waarom is het goed om verwijswoorden te gebruiken in de tekst?
A
Anders lees je steeds hetzelfde woord. Dat is vervelend.
B
Anders schrijf je steeds hetzelfde woord. Daar word je moe van.

Slide 8 - Quiz

Zoeken maar...
Loop door de klas.
Zoek het verwijswoord en woord dat bij elkaar passen.
Heb je iemand gevonden? 
Schrijf twee zinnen op de post-it met beide woorden.
Daarna ga je op je eigen plek zitten.
 Klaar? Schrijf zoveel mogelijk verwijswoorden op onder opdracht 8!

Het gebouw moet gesloopt worden. Het is al heel oud.

Slide 9 - Diapositive

Oefenen
Schrijf alle verwijswoorden uit de zin op.

Slide 10 - Diapositive

Charissa ging naar het concert. Ze is een fan van Snelle.
timer
0:15

Slide 11 - Question ouverte

Jamie zong het eerste liedje mee. Hij zong heel vals.
timer
0:15

Slide 12 - Question ouverte

Lizzy en Vera gaan samen naar een concert. Ze gaan er met de trein naartoe.
timer
0:15

Slide 13 - Question ouverte

De volgende dag stond er een verslag van het
concert in de krant. Charissa liet het zien aan Lizzy. Daarna las ze het verslag voor.
timer
0:15

Slide 14 - Question ouverte

Verwijswoorden opschrijven
1. Mijn moeder is al heel oud. .... wordt morgen 71!

2. Jos en Piet gaan samen op vakantie en ..... hebben er zin in!

3. Mustafa moet morgen nablijven. .... is drie keer te laat op school gekomen.

Slide 15 - Diapositive

Acda en de Munnik treden morgen op. ..... beginnen om 20.00 uur.
A
Hij
B
Ze
C
Hem
D
Het

Slide 16 - Quiz

Komt Olaf morgen ook naar het feest? Nee, ..... moet sporten.
A
Hem
B
Ze
C
Hij
D
Het

Slide 17 - Quiz

Marie gaat snel huiswerk doen, want ..... heeft morgen een toets.
timer
0:15

Slide 18 - Question ouverte

Paul en Josefien kijken heel lief, ..... willen eerder naar huis.
timer
0:15

Slide 19 - Question ouverte

Zoeken maar!
10 zinnen
Alleen of in een tweetal
Twee spiekmogelijkheden

Klaar? 
Checken bij juf!
Alle verwijswoorden in een tekst zoeken.
timer
1:00

Slide 20 - Diapositive

Evalueren
1. Welk cijfer geef je jezelf voor het invullen van 
verwijswoorden in de zin? Waarom dat cijfer?
2. Wat vond je het leukste deze les?
3. Waar ben je trots op?
4. Welke tip en/of top heb je voor mij?
timer
2:00

Slide 21 - Diapositive

Afsluiting

Slide 22 - Diapositive

Schrijftaak
Je gaat een verslag schrijven over iets waar je zelf bij bent geweest, bijvoorbeeld een sportwedstrijd, een concert of een vakantie.

Slide 23 - Diapositive

Onderwerp... 
Waar zou jij een verslag over willen schrijven?

Slide 24 - Diapositive

Opdracht 9
Maken

Bespreken
timer
1:00

Slide 25 - Diapositive

Slide 26 - Diapositive

Opdracht 10
Informatie verzamelen
5W1H vragen gebruiken. 

Op apart papier (moet je later inleveren!)

timer
5:00

Slide 27 - Diapositive

Slide 28 - Diapositive

Opdracht 11 - schrijven
1. Verslag heeft ongeveer 150 woorden
2. Gebruik de verleden tijd
3. Schrijf in inleiding kort waar het over gaat
4. Schrijf in kern gebeurtenissen in juiste volgorden
     Gebruik 3 woorden om volgorde aan te geven
5. Gebruik minimaal 10 verwijswoorden.
6. Schrijf een goede titel boven je verslag
7. Zet je naam onder het verslag.

Slide 29 - Diapositive

Opdracht 12 - Feedback
Geef elkaar tips en tops.
Gebruik het formulier dat je krijgt.

Slide 30 - Diapositive

Opdracht 12 - Herschrijven
Bekijk de feedback die je hebt gekregen.
Verbeter je verslag. 

Klaar? Lever het verslag in.

Je levert in: 1e versie, feedback, 2e versie.

Slide 31 - Diapositive