NK 6.2 + UL 6.3 (+6.4)

1. Op welke (2)  manieren verdwijnt er energie uit de voedselketen?
2. Wat voor type piramide is afbeelding a? 
3. Wat voor type piramide is afbeelding b?
            a                                                     b
  • Open je boek op blz. 127
  • Gebruik basis 2 om onderstaande 3 vragen te beantwoorden.
  • Noteer deze antwoorden op een los blaadje /in een schrift!

timer
5:00
1 / 37
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolmavoLeerjaar 3

In deze les zitten 37 slides, met tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 70 min

Onderdelen in deze les

1. Op welke (2)  manieren verdwijnt er energie uit de voedselketen?
2. Wat voor type piramide is afbeelding a? 
3. Wat voor type piramide is afbeelding b?
            a                                                     b
  • Open je boek op blz. 127
  • Gebruik basis 2 om onderstaande 3 vragen te beantwoorden.
  • Noteer deze antwoorden op een los blaadje /in een schrift!

timer
5:00

Slide 1 - Tekstslide

1 = Doordat energie verdwijnt als  brandstof (om te bewegen, warm te blijven) EN  onverteerde voedselresten verlaten het lichaam via de ontlasting. De energie uit deze stoffen verdwijnt dan uit de voedselketen. 
2 = piramide van aantallen
3 = piramide van biomassa
            a                                                     b
1. Op welke (2) manieren verdwijnt er energie uit de voedselketen?
2. Wat voor type piramide is afbeelding a? 
3. Wat voor type piramide is afbeelding b?

Slide 2 - Tekstslide

planning
  • afronden (6.1 + ) 6.2 
  • leerdoelen + uitleg 6.3
  • opdrachten maken 6.3
  • huiswerk opgeven  

Slide 3 - Tekstslide

Leerdoelen 6.3
  1. Ik kan de koolstofkringloop beschrijven. 
  2.  Ik kan de stikstofkringloop beschrijven. 

Slide 4 - Tekstslide

Voorbeelden van kringlopen = Kringloop van water 
(ken je misschien al vanuit aardrijkskunde)

Slide 5 - Tekstslide

Kringlopen
Als je mobieltje kapot is en niet valt te repareren, dan kun je heb inleveren. Sommige stoffen uit je mobieltje worden eruit gehaald en opnieuw gebruikt.

In de natuur worden stoffen ook opnieuw gebruikt, 
zoals bijvoorbeeld koolstof en stikstof. 

De verschillende stoffen waarin koolstof kan voorkomen en van het ene organisme naar het andere gaat noem je de koolstofkringloop. 

Slide 6 - Tekstslide

Koolstofkringloop



  • Planten nemen koolstofdioxide op uit de lucht. 
  • In koolstofdioxide zit koolstof.                                                                                
  • Bij fotosynthese wordt met deze koolstof glucose gevormd. 
  • Een deel van de glucose verbruiken planten bij verbranding.                    
  • De koolstof uit de glucose wordt dan omgezet in koolstofdioxide; 
  • die dan wordt afgegeven aan de lucht. 

Slide 7 - Tekstslide

Koolstofkringloop
  • Planteneters nemen deze plantaardige energierijke stoffen op in hun lichaam. 
  • Een deel van deze stoffen wordt als brandstof gebruikt. Hierbij ontstaat CO2 dat aan de lucht wordt afgegeven. 
  • Een ander deel van de plantaardige energierijke stoffen wordt gebruikt om dierlijke energierijke stoffen te maken. 
  • Vleeseters nemen deze energierijke stoffen weer op als ze planteneters eten. 

Slide 8 - Tekstslide

Koolstofkringloop 
  • Planten en dieren kunnen ook doodgaan zonder dat ze worden opgegeten. 
  • De energierijke stoffen in dode organismen en uitwerpselen worden door reducenten (bacteriën en schimmels) opgenomen. 
  • De reducenten verbranden het grootste deel van deze stoffen. Hierbij komt de koolstof weer terecht in CO2 dat weer wordt afgegeven aan de lucht. 

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Video

Stikstofkringloop

  • Alle organismen hebben stikstof nodig. 
  • Stikstof is een belangrijk onderdeel van eiwitten en DNA.

De verschillende stoffen waarin stikstof kan voorkomen en van het ene naar het andere organisme gaat, noem je stikstofkringloop. 

Slide 11 - Tekstslide

Stikstofkringloop
  • Stikstof komt in de bodem onder                                                   andere voor in de stof nitraat. 
  • Planten nemen water uit de bodem                                           op met daarin nitraat.
  • Ze gebruiken het nitraat samen met                                      glucose voor de vorming van eiwitten. 

Slide 12 - Tekstslide

Stikstofkringloop
  • Planteneters zetten een deel van deze eiwitten om in dierlijke eiwitten.
  • Ook dierlijke eiwitten bevatten stikstof.
  • Vleeseters nemen deze eiwitten                                                             op via het voedsel. 

Slide 13 - Tekstslide

Stikstofkringloop
  • Niet alle eiwitten worden                                                      opgegeten en verteerd.                                                                         Deze eiwitten zitten in                                                         uitwerpselen of in dode planten of dieren.
  • Reducenten gebruiken die eiwitten als brandstof. Bij de verbranding van de eiwitten ontstaat ammoniak. Een deel wordt ammoniakgas.

Slide 14 - Tekstslide

Stikstofkringloop
  • Stikstof zit ook in de lucht.
  • Planten en dieren kunnen geen stikstof uit de lucht opnemen, maar stikstofbindende bacteriën we. 
  • Deze bacteriën komen                                           onder andere voor in                          wortelknolletjes van planten                            zoals klaver en lupine.  
  • Een deel van de stikstof die deze bacteriën uit de lucht opnemen, komt als nitraat in de bodem terecht. 

Slide 15 - Tekstslide

Ga nu aan de slag met het maken van:
IN JE WERKBOEK MET 

  • van thema 6
  • van basisstof 6.3 - opdracht 1 t/m 7

Wat niet af is in de les, wordt automatisch huiswerk voor volgende les. 

Slide 16 - Tekstslide

Maak nu in je boek 

op blz. 88-90

opdracht 1 t/m 4
timer
10:00

Slide 17 - Tekstslide

Nakijken opdracht 1 t/m 4:
1a = A
1b = A + B + C + D
1c = B
1d = C

Slide 18 - Tekstslide

opdracht 2
1 = glucose
2 = plantaardige energierijke stoffen
3 = dierlijke energierijke stoffen
4 = energierijke stoffen in bacteriën en schimmels
5 = verbranding
6 = verbranding
7 = verbranding
8 = koolstofdioxide
9 = fotosynthese
opdracht 3
a = A
b = D
c = A

Slide 19 - Tekstslide

afb. 5 =

Slide 20 - Tekstslide

afb. 6 =

Slide 21 - Tekstslide

Leerdoelen 6.4
  1. Ik kan de invloeden op organismen indelen in biotische en abiotische factoren.
  2.  Ik kan de niveau´s van de ecologie beschrijven.
  3. Ik kan aangeven hoe de grootte van een populatie wordt beïnvloed door biotische en abiotische factoren. 

Slide 22 - Tekstslide

(a)biotische factoren
biotische factoren
(a)biotische factoren
Deze factoren hebben invloed op groeikansen en overlevingskansen van organismen. 

Slide 23 - Tekstslide

Biotische factoren
Biotische factoren zijn invloeden van de levende natuur op een organisme.
Belangrijke biotische factoren zijn vaak:
  • soortgenoten
  • concurrenten
  • predatoren
  • voedsel
  • ziekteverwekkers.

Slide 24 - Tekstslide

Abiotische factoren
Abiotisch factoren horen bij de levenloze natuur.
Belangrijke abiotische factoren zijn vaak:
  • Bodem
  • Licht
  • Temperatuur

Slide 25 - Tekstslide

Organisatieniveaus van de ecologie
  • Eén enkel organisme is een individu.

  • Een populatie is een groep individuen van dezelfde soort in een bepaald gebied, die zich onderling voortplanten. 

Slide 26 - Tekstslide

Organisatieniveaus van de ecologie
In een leefgebied leven populaties ver verschillende andere soorten. 

Alle populaties in een bepaald leefgebied vormen samen een levensgemeenschap. 

Slide 27 - Tekstslide

Organisatieniveaus van de ecologie
Verschillende populaties kunnen elkaar beïnvloeden.

Daarnaast worden de populaties beïnvloed door abiotische factoren. 

Alle abiotische factoren en populaties in een bepaald gebied  vormen samen een ecosysteem. 

Slide 28 - Tekstslide

Populatiegrootte

Slide 29 - Tekstslide

Populatiegrootte verandert constant

Slide 30 - Tekstslide

Populatiegrootte
De populatiegrootte is: het aantal organismen in een populatie. 

De populatiegrootte hangt af van: de invloeden uit de omgeving, dus van biotische en a-biotische factoren.

Slide 31 - Tekstslide

Optimumkromme
De invloed van abiotische factoren kan worden weergegeven in een optimumkromme.
Hieruit kan je onderscheiden:
  • Minimum 
  • Optimum
  • Maximum 
  • Tolerantiegebied 

Slide 32 - Tekstslide

Optimumkromme
Het diagram geeft de optimumkromme voor een organisme
Bij de ideale temperatuur is de kans op overleven en voortplanten het grootst.

Slide 33 - Tekstslide

Optimumkromme       (beste omstandigheden)

Slide 34 - Tekstslide

Huiswerk voor volgend les = 
Maak ONLINE van 
  • basisstof 6.3 - opdracht 5 + 6 + 7
  • basisstof 6.4 - opdracht 1 + 2 + 3 + 5 + 6 + 7


Slide 35 - Tekstslide

Koolstofkringloop
  • Een ander deel van de glucose gebruikt de plant om energierijke stoffen (koolhydraten, eiwitten, vetten) te maken.
  • Zo komt de koolstof terecht in alle plantaardige energierijke stoffen. 

Slide 36 - Tekstslide

Optimumkromme

Slide 37 - Tekstslide