NK 6.3 + UL 6.4 (m3)




1 a = koolstofdioxide
1b = in eerste instantie in glucose,       
         maar daarna maakt de plant                     met glucose er vetten,        
         koolhydraten en eiwitten van. 
1c = door verbranding in het lichaam           ontstaat er CO2 en die ademt                het dier uit in de lucht. 
1d = C
opdracht 2:
1 = glucose
2 = plantaardige energierijke stoffen
3 = dierlijke energierijke stoffen
4 = energierijke stoffen in bacteriën en                         schimmels
5 = verbranding
6 = verbranding
7 = verbranding
8 = koolstofdioxide
9 = fotosynthese

opdracht 3;
a = eiwitten            b = nitraat            c = ammoniak
  • Open je boek op blz. 88
  • Start met nakijken van;
  • opdracht 1 + 2 + 3

timer
5:00
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolmavoLeerjaar 3

In deze les zitten 23 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 70 min

Onderdelen in deze les




1 a = koolstofdioxide
1b = in eerste instantie in glucose,       
         maar daarna maakt de plant                     met glucose er vetten,        
         koolhydraten en eiwitten van. 
1c = door verbranding in het lichaam           ontstaat er CO2 en die ademt                het dier uit in de lucht. 
1d = C
opdracht 2:
1 = glucose
2 = plantaardige energierijke stoffen
3 = dierlijke energierijke stoffen
4 = energierijke stoffen in bacteriën en                         schimmels
5 = verbranding
6 = verbranding
7 = verbranding
8 = koolstofdioxide
9 = fotosynthese

opdracht 3;
a = eiwitten            b = nitraat            c = ammoniak
  • Open je boek op blz. 88
  • Start met nakijken van;
  • opdracht 1 + 2 + 3

timer
5:00

Slide 1 - Tekstslide

opdracht 4 
bovenste 
afbeelding

Slide 2 - Tekstslide

opdracht 4
onderste
afbeelding

Slide 3 - Tekstslide

opdracht 5

a:
In de uitwerpselen zitten eiwitten. Reducenten zetten de eiwitten om in ammoniak. In het grondwater lost dit op tot ammonium. Bacteriën zetten ammonium om in nitraat. Nitraat bevat stikstof.

b: 
In de wortelknolletjes van deze planten komen stikstofbindende bacteriën voor. Deze bacteriën kunnen stikstof uit de lucht opnemen en vastleggen in nitraat. Hierdoor wordt de grond stikstofrijker (vruchtbaarder).

– Met kunstmest kun je de hoeveelheid nitraat die je aan de grond toevoegt nauwkeuriger doseren.
– Er zijn geen bacteriën nodig om ammonium om te zetten in nitraat.
opdracht 5 
a:
In de uitwerpselen zitten eiwitten. Reducenten zetten de eiwitten om in ammoniak. In het grondwater lost dit op tot ammonium. Bacteriën zetten ammonium om in nitraat. Nitraat bevat stikstof.

b: 
In de wortelknolletjes van deze planten komen stikstofbindende bacteriën voor. Deze bacteriën kunnen stikstof uit de lucht opnemen en vastleggen in nitraat. Hierdoor wordt de grond stikstofrijker (vruchtbaarder).

c:
– Met kunstmest kun je de hoeveelheid nitraat die je aan de grond toevoegt                         nauwkeuriger doseren.
– Er zijn geen bacteriën nodig om ammonium om te zetten in nitraat.

Slide 4 - Tekstslide

opdracht 6
De stikstofkringloop in het bos werd hierdoor verstoord. Normaal werd de strooisellaag door reducenten afgebroken en omgezet in nitraat. Hiervan konden de planten in het bos weer groeien.

opdracht 7
A; Pijl P stelt de fotosynthese voor. 
(Koolstofdioxide wordt bij de fotosynthese omgezet in glucose. Van glucose maakt een plant andere energierijke stoffen.)

B: Pijl T is de omzetting door reducenten. Bacteriën en schimmels (reducenten) zetten de koolstof uit de energierijke stoffen in dode resten van planten en dieren om in koolstofdioxide. Dat gebeurt door verbranding.



Slide 5 - Tekstslide

Boek DICHT op je tafel
timer
0:15

Slide 6 - Tekstslide

planning
  • afronden 6.3
  • leerdoelen + uitleg 6.4
  • opdrachten maken 6.4
  • huiswerk opgeven  

Slide 7 - Tekstslide

Leerdoelen 6.4 -biologisch evenwicht 
  1. Ik kan de invloeden op organismen indelen in biotische en abiotische factoren.
  2.  Ik kan de niveau´s van de ecologie beschrijven.
  3. Ik kan aangeven hoe de grootte van een populatie wordt beïnvloed door biotische en abiotische factoren. 

(dit alles 95 % is herhaling van klas 2)

Slide 8 - Tekstslide

(a)biotische factoren
biotische factoren
(a)biotische factoren
Deze factoren hebben invloed op groeikansen en overlevingskansen van organismen. 

Slide 9 - Tekstslide

Biotische factoren
Biotische factoren zijn invloeden van de 
levende natuur op een organisme.

Belangrijke biotische factoren zijn vaak:
  • soortgenoten
  • concurrenten
  • predatoren
  • voedsel
  • ziekteverwekkers

Slide 10 - Tekstslide

Abiotische factoren
Abiotisch factoren horen bij de levenloze natuur.
Belangrijke abiotische factoren zijn vaak:
  • Bodem
  • Licht
  • Temperatuur

Slide 11 - Tekstslide

Organisatieniveaus van de ecologie
  • Eén enkel organisme is een individu.

  • Een populatie is een groep individuen van dezelfde soort in een bepaald gebied, die zich onderling voortplanten. 

Slide 12 - Tekstslide

Organisatieniveaus van de ecologie
In een leefgebied leven populaties ver verschillende andere soorten. 

Alle populaties in een bepaald leefgebied vormen samen een levensgemeenschap. 

Slide 13 - Tekstslide

Organisatieniveaus van de ecologie
Verschillende populaties kunnen elkaar beïnvloeden.

Daarnaast worden de populaties beïnvloed door abiotische factoren. 

Alle abiotische factoren en populaties in een bepaald gebied  vormen samen een ecosysteem. 

Slide 14 - Tekstslide

Populatiegrootte

Slide 15 - Tekstslide

Populatiegrootte verandert constant

Slide 16 - Tekstslide

Populatiegrootte
De populatiegrootte is: het aantal organismen in een populatie. 

De populatiegrootte hangt af van: de invloeden uit de omgeving, dus van biotische en a-biotische factoren;

Slide 17 - Tekstslide

Optimumkromme
De invloed van abiotische factoren kan worden weergegeven in een optimumkromme.
Hieruit kan je onderscheiden:
  • Minimum 
  • Optimum
  • Maximum 
  • Tolerantiegebied 

Slide 18 - Tekstslide

Optimumkromme
Het diagram geeft de optimumkromme voor een organisme
Bij de ideale temperatuur is de kans op overleven en voortplanten het grootst.

Slide 19 - Tekstslide

Optimumkromme       
(bekijk hierin: minimum, optimum, maximum, tolerantiegebied)

Slide 20 - Tekstslide

Ga nu aan de slag met het huiswerk:
IN JE WERKBOEK MET 

  • van thema 6
  • van basisstof 6.4 - opdracht 1 t/m 7

proefwerk thema 3 + thema 6  = 22 mei (onder behoud rooster)
(Leren = 3.1 t/m 3.7 +  6.1 t/m 6.6)

Slide 21 - Tekstslide

Koolstofkringloop
  • Een ander deel van de glucose gebruikt de plant om energierijke stoffen (koolhydraten, eiwitten, vetten) te maken.
  • Zo komt de koolstof terecht in alle plantaardige energierijke stoffen. 

Slide 22 - Tekstslide

Optimumkromme

Slide 23 - Tekstslide