Herhalingsles 37,38, 53 en 62

Persoonlijk en bezittelijke voornaamwoorden
1 / 54
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 2

In deze les zitten 54 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Persoonlijk en bezittelijke voornaamwoorden

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Die ogen van ....
A
jou
B
jouw

Slide 6 - Quizvraag

Dit zijn ........ ogen
A
jou
B
jouw

Slide 7 - Quizvraag

Deze tas is van ........
A
jou
B
jouw

Slide 8 - Quizvraag

Dat is ......... tas
A
jou
B
jouw

Slide 9 - Quizvraag

Een persoonlijk / bezittelijk voornaamwoord geeft aan dat iets het bezit is van iemand of iets.
A
peroonlijk
B
bezittelijk

Slide 10 - Quizvraag

‘Ik’ is een persoonlijk / bezittelijk voornaamwoord.
A
persoonlijk
B
bezittelijk

Slide 11 - Quizvraag

‘Uw’ is een persoonlijk / bezittelijk voornaamwoord.
A
persoonlijk
B
bezittelijk

Slide 12 - Quizvraag

Hun moeder brengt hen naar mijn huis.
Wat is het persoonlijk voornaamwoord
A
Hun
B
hen
C
mijn

Slide 13 - Quizvraag

Hun moeder brengt hen naar mijn huis.
Welke zijn bezittelijk? (2)
A
Hun
B
hen
C
mijn

Slide 14 - Quizvraag

Zij zag hem op straat.
Zij en hem zijn:
A
persoonljk
B
bezittelijk

Slide 15 - Quizvraag

Hij heeft haar fiets geleend.
Hij is een:

A
persoonlijk voornaamwoord
B
bezittelijk voornaamwoord

Slide 16 - Quizvraag

Hij heeft haar fiets geleend.
Haar is een:

A
persoonlijk voornaamwoord
B
bezittelijk voornaamwoord

Slide 17 - Quizvraag

Ik weet het verschil tussen een persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord
😒🙁😐🙂😃

Slide 18 - Poll

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide

Benoem van de volgende werkwoorden of het een sterk of zwak werkwoord is.

Geven
A
Zwak werkwoord
B
Sterk werkwoord

Slide 22 - Quizvraag

Benoem van de volgende werkwoorden of het een sterk of zwak werkwoord is.

Lopen
A
Zwak werkwoord
B
Sterk werkwoord

Slide 23 - Quizvraag

Benoem van de volgende werkwoorden of het een sterk of zwak werkwoord is.

Leven
A
Zwak werkwoord
B
Sterk werkwoord

Slide 24 - Quizvraag

Slide 25 - Tekstslide

Uitzondering 'je' achter de persoonsvorm
Staat er je of jij achter de persoonsvorm, dan komt er geen -t achter. 
Voorbeeld: word je volgende week getest? 

Maar kun je 'je' niet vervangen door jij? Dan krijgt de persoonsvorm wel een -t 
Wordt je vader volgende week getest? 

Slide 26 - Tekstslide

De persoonsvorm verleden tijd (meervoud) van antwoorden is:

A
antwoorde
B
antwoordde
C
antwoorden
D
antwoordden

Slide 27 - Quizvraag

De persoonsvorm verleden tijd (enkelvoud) van wachten is:

A
wachte
B
wachtte
C
wachten
D
wachtten

Slide 28 - Quizvraag

Oefenen - Persoonsvorm verleden tijd

Ik ... gisteren voor deze opdracht. (kiezen)
A
kieste
B
kozen
C
koos
D
kiesde

Slide 29 - Quizvraag

De persoonsvorm verleden tijd (meervoud) van verhuizen is:

A
verhuisten
B
verhuizten
C
verhuisden
D
verhuizden

Slide 30 - Quizvraag

Benoem van de volgende werkwoorden of het een sterk of zwak werkwoord is.

Wachten
A
Zwak werkwoord
B
Sterk werkwoord

Slide 31 - Quizvraag

De persoonsvorm verleden tijd (enkelvoud) van leven is:

A
leefte
B
leefde
C
leeften
D
leefden

Slide 32 - Quizvraag

Kun je de persoonsvorm verleden tijd
correct schrijven?
A
Ja!
B
Ja, meestal wel
C
Soms, ik vind het nog wel moeilijk
D
Nee, ik heb echt extra hulp nodig

Slide 33 - Quizvraag

VERWIJSWOORDEN
Verwijswoorden verwijzen meestal naar een woord dat al eerder genoemd is

of wijzen vooruit naar een woord dat nog genoemd gaat worden.

Slide 34 - Tekstslide

DEZE, DIE, DIT, DAT
Dit zijn verwijswoorden.

dezE en diE gebruik je bij dE-woorden
diT en daT gebruik je bij heT-woorden



Slide 35 - Tekstslide

Slide 36 - Tekstslide

Slide 37 - Tekstslide

Waar wordt het goede verwijswoord gebruikt?

de bondscoach
A
deze bondscoach
B
dit bondscoach

Slide 38 - Quizvraag

Waar wordt het goede verwijswoord gebruikt?

het effect
A
deze effect
B
dit effect

Slide 39 - Quizvraag

Waar wordt het goede verwijswoord gebruikt?

de bioloog
A
deze bioloog
B
dit bioloog

Slide 40 - Quizvraag

Waar wordt het goede verwijswoord gebruikt?

de veerdienst
A
deze veerdienst
B
dit veerdienst

Slide 41 - Quizvraag

Waar wordt het goede verwijswoord gebruikt?

het faillissement
A
dat faillissement
B
die faillissement

Slide 42 - Quizvraag

Waar wordt het goede verwijswoord gebruikt?

de veranderingen
A
deze veranderingen
B
dit veranderingen

Slide 43 - Quizvraag

Waar wordt het goede verwijswoord gebruikt?

het voetbaltoernooi
A
deze voetbaltoernooi
B
dit voetbaltoernooi

Slide 44 - Quizvraag

Waar wordt het goede verwijswoord gebruikt?

de zonneauto
A
deze zonneauto
B
dit zonneauto

Slide 45 - Quizvraag

Slide 46 - Tekstslide

Slide 47 - Tekstslide

Slide 48 - Tekstslide

Slide 49 - Tekstslide

Vul in: "Hij verhuis.... morgen naar de stad."
A
verhuist
B
verhuisd

Slide 50 - Quizvraag

Vul in: "Hij is vorige week verhuis..."
A
verhuist
B
verhuisd

Slide 51 - Quizvraag

Vul in: "Zij zijn heel erg verander..."
A
verandert
B
veranderd

Slide 52 - Quizvraag

Vul in: "Zij verander... heel snel."
A
verandert
B
veranderd

Slide 53 - Quizvraag

Vul in: "Hij beloof... van alles."
A
belooft
B
beloofd

Slide 54 - Quizvraag