Lezen blok 4+5 2h

Lezen blok 5
- Mening, argument & tegenargument

- Alineaverbanden
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Lezen blok 5
- Mening, argument & tegenargument

- Alineaverbanden

Slide 1 - Tekstslide

Herhaling belangrijke begrippen leesvaardigheid    jaar 1 en jaar 2
Jaar 1:
  • Onderwerp, deelonderwerp
  • Hoofdgedachte
  • Kernzin
  • Opbouw tekst: inleiding, middenstuk, slot
  • Opbouw alinea: kernzin + voorbeeld/toelichting
  • Tekstdoel, tekstsoort, tekstvorm
  • 4 manieren om een tekst in te leiden
  • 3 manieren om een tekst af te sluiten
  • Objectief, subjectief
  • Mening, argument

  • Verwijswoorden
  • Leesstrategieën
  • 3 soorten publiek
  • Hoofd- en bijzaken
  • Mening, argument, tegenargument

Jaar 2:
  • Signaalwoorden
  • Zins- en alineaverbanden
  • Verbindingsmanieren tussen      alinea's

Slide 2 - Tekstslide

Mening, argument, tegenargument
mening = iets wat iemand vindt
'Als het weekend is, moet je ook op tijd naar bed.'

argumenten = de redenen waarom iemand dat vindt
'Dan rust je goed uit en kan je er doordeweeks beter leren.'

tegenargument = gaat in tegen het argument
 'Het is juist ook belangrijk om iets leuks te doen in het weekend om te ontspannen en het maakt niet uit als het dan iets later wordt.'

Slide 3 - Tekstslide

Alineaverbanden (vervolg op blok 3)
-Je kent al:
1. uitspraak-opsomming
Ik ga op vakantie en neem een borstel, een handdoek en een zwempak mee. 
2. uitspraak- tegenstelling
Ik houd niet van koude tomaten maar ik houd wel van tomatensoep.
3. uitspraak-voorbeeld
Jan heeft veel hobby's bijvoorbeeld hardlopen en diepzeeduiken. 

Slide 4 - Tekstslide

Alineaverbanden (nieuw)
4. middel - doel: iemand noemt een doel (wat hij wil bereiken) en een middel (wat je nodig hebt om dit te bereiken)

'Om mijn rijbewijs te kunnen halen, moet ik veel geld verdienen.'

signaalwoorden: om..te, waarmee, daarmee, door middel van, het doel is, met dat doel, enz.

Slide 5 - Tekstslide

Alineaverbanden (vervolg)
5. oorzaak -gevolg: precies wat het zegt. Iemand noemt een oorzaak en een gevolg daarvan.

'Gisteren zijn we volledig nat geregend. Daardoor heeft Kim een verkoudheid opgelopen.'

signaalwoorden: daardoor, hierdoor, zodat, waardoor, doordat, ..

Slide 6 - Tekstslide

Alineaverbanden (vervolg)
6. uitspraak - vergelijking: na een uitspraak worden er twee of meer dingen met elkaar vergeleken. 

Nederlandse leerlingen weten wat ze willen. In vergelijking met Belgische scholieren blijken Nederlandse leerlingen erg mondig te zijn.

Signaalwoorden: zoals, hetzelfde, dezelfde, in vergelijking met

Slide 7 - Tekstslide

Alineaverbanden (vervolg)
7. uitspraak -reden: na de uitspraak wordt een reden genoemd. Een reden is waarom iemand iets wel of niet doet. (verschil met gevolg, daar is het wat er logischerwijs uit iets anders voortkomt!)

'Het vriest vandaag, daarom doe ik een winterjas aan.'

signaalwoorden: als, daarom, want, omdat


Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Noteerwijze
‘Naar verwachting wordt ruimtetoerisme in de toekomst steeds betaalbaarder en dus toegankelijker voor een groot publiek.’

Welk verband geeft het signaalwoord ‘dus’ hier aan? 
Noteer de delen van dit verband.

Uitspraak-conclusie 
Uitspraak: Ruimtetoerisme wordt in de toekomst steeds betaalbaarder
Conclusie: Ruimtetoerisme wordt toegankelijker voor een groot publiek. 

Slide 10 - Tekstslide

Check
uitspraak-opsomming (ook, verder, daarnaast, ten eerste)
uitspraak-tegenstelling (maar, echter, daarentegen)
uitspraak-voorbeeld (voorbeeld, zoals, zo)
middel-doel (waarmee, daarmee, dmv)
oorzaak-gevolg (daardoor, hierdoor, zodat)
uitspraak-vergelijking (zoals, hetzelfde, dezelfde)
uitspraak-reden (daarom, want, omdat)

Slide 11 - Tekstslide

Feit of mening:
'De schrijver van dit boek neemt het leven niet serieus.'
A
feit
B
mening

Slide 12 - Quizvraag

Kim zegt: 'Ik heb een nieuwe broek nodig. Mijn moeder zegt alleen dat ik nog genoeg broeken heb.'

De mening van moeder is:
A
een argument dat bij de mening van Kim past
B
een tegenargument bij de mening van Kim

Slide 13 - Quizvraag

In Italië is het eten lekker en zijn de mensen vriendelijk, zegt mijn vader. Daarom wil hij elk jaar naar Italië op vakantie.
Wat is het argument van vader?
A
Hij wil elk jaar op vakantie naar Italië
B
In Italië is het eten lekker en zijn de mensen vriendelijk.

Slide 14 - Quizvraag

In Italië is het eten lekker en zijn de mensen vriendelijk. Daarom gaan we er elk jaar naar toe.

Wat voor verband zie je hier?
A
middel-doel
B
oorzaak-gevolg
C
uitspraak-vergelijking
D
uitspraak-reden

Slide 15 - Quizvraag

Wat is geen signaalwoord van het verband uitspraak-vergelijking?
A
hetzelfde
B
doordat
C
zoals
D
in vergelijking met

Slide 16 - Quizvraag

De kernzin is altijd de eerste zin van die alinea.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 17 - Quizvraag

Een tekst is subjectief als de mening van een deskundige genoemd wordt.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 18 - Quizvraag

Een aanleiding is een pakkend verhaaltje.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 19 - Quizvraag

Je kunt twee alinea's met elkaar verbinden door een overgangszin met een verwijswoord.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 20 - Quizvraag

Je moet de theorie uit je boek leren voor je toets.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 21 - Quizvraag

Afsluiting
-Maak de opdrachten (af) van Lezen blok 5+6 en kijk ze goed na.


-Succes!

Slide 22 - Tekstslide