Les 4.1.1 Formules en naamgeving van zouten

Les 4.1 Formules en naamgeving van zouten
1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
ScheikundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 24 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Les 4.1 Formules en naamgeving van zouten

Slide 1 - Tekstslide

Planning
  • Nakijken 1 en 2  (blz 20)
  • 4.1 formules van naamgeving van zouten
  • Maken opgaven

Slide 2 - Tekstslide

1

Slide 3 - Tekstslide

2
  • a) Voor elektrische stroomgeleiding zijn vrij bewegende, geladen deeltjes nodig. Een vast zout bevat wel geladen deeltjes (ionen), maar deze zitten op een vaste plek in het ionrooster en kunnen dus niet vrij bewegen.
  • b) De ionen van een gesmolten zout kunnen wel vrij bewegen. De negatieve ionen kunnen naar de positieve pool bewegen en de positieve ionen naar de negatieve pool. Zo kan een vloeibaar zout de elektrische stroom geleiden 

Slide 4 - Tekstslide

Leerdoel 4.1
  • 4.1.1 Je kunt de systematische namen en verhoudingsformules van zouten geven en gebruiken.

Slide 5 - Tekstslide

Ontstaan van zouten
  • Reactie tussen metalen en moleculaire stoffen.
  • Metaalatomen geven valentie-elektronen af aan niet-metaalatomen.
  • Metaalatomen → positief geladen ionen (bijv. Na⁺),           niet-metaalatomen → negatief geladen ionen (bijv. Cl⁻).

Slide 6 - Tekstslide

Binding en structuur van zouten
  • Ionbinding: sterke binding tussen positieve en negatieve ionen. Door sterke ionbinding zijn zouten vaste stoffen. 
  • Vorming van een kristalrooster (ionrooster).
  • Verstoring van het ionrooster → materiaalbreuk door afstoting van gelijke ladingen.

Slide 7 - Tekstslide

Eigenschappen van zouten
  • Vaste stoffen bij kamertemperatuur door sterke ionbinding.
  • Geen elektrische geleiding in vaste fase (ionen vast in rooster).
  • Geleiding van stroom in vloeibare of opgeloste toestand (vrije ionen).
  • Hoge smelt- en ontleedpunten (zie Binas tabel 42A).
  • Materiaalsterkte: sterk, maar niet-vervormbaar: 

Slide 8 - Tekstslide

Enkelvoudige en samengestelde ionen
Ionen zijn geladen deeltjes: 
  • Wanneer een stof meer elektronen dan protonen bevat is dit een negatief geladen deeltje. 
  • Wanneer eens stof meer protonen dan elektronen bevat is dit een positief geladen deeltje. 

Slide 9 - Tekstslide

Enkelvoudige ionen
  • Bestaan uit één atoom.

Voorbeelden: 
  • Na⁺
  • Al³⁺
  • O²⁻.
Samengestelde ionen
  • Bestaan uit atoomgroepen verbonden door atoombindingen.

Voorbeelden:
  • Carbonaation: CO₃²⁻
  • Hydroxide-ion: OH⁻
  • Fosfaation: PO₄³⁻

Slide 10 - Tekstslide

Tabel 1 blz 16!!

Slide 11 - Tekstslide

Tabel 1 blz 16!!

Slide 12 - Tekstslide

Opstellen formule van een zout (verhoudingsformules)
Stappenplan opstellen zoutformule
  1. Noteer de naam van het zout.
  2. Noteer de ionen die zich in het zout bevinden.
  3. Bepaal hoeveel je van elk ion nodig hebt, om net zoveel positief als negatieve lading te krijgen.
  4. Schrijf de formule op: gebruik indexgetallen als je een ion 2 of meer keer gebruikt. (index moeten zo laag mogelijke en hele getallen zijn).

Slide 13 - Tekstslide

Samen oefenen
Kaliumbromide
  • K+ en Br
  • 1x en 1x (beide lading 1)
  • KBr
Calciumsulfide
  • Ca2+ en S2-
  • 1x en 1x (beide lading 2)
  • CaS

Slide 14 - Tekstslide

Samen oefenen (2)
Natriumoxide
  • Na+ en O2-
  • 2x en 1x (worden beide lading 2)
  • Na2O
Aluminiumoxide
  •  Al3+ en O2-
  • 2x en 3x (worden beide lading 6)
  • Al2O3


Slide 15 - Tekstslide

opstellen verhoudingsformule met samengestelde ionen
  • Zelfde stappen als opstellen zouten.
  • ..... maar..... wanneer een samengesteld ion meer dan één keer voorkomt, zet je haakjes om het ion heen (haal de lading wel weg!)

Slide 16 - Tekstslide

Samen oefenen
Calciumnitraat
  • Ca2+ en NO3
  • 1x en 2x (worden beide lading 2)
  • Ca(NO3)2
Ammoniumfosfaat
  • NH4+ en PO43-
  • 3x en 1x (worden beide lading 3)
  • (NH4)3PO4

Slide 17 - Tekstslide

Nu zelf maken: 
  • a) Calciumchloride
  • b) Magnesiumsulfaat
  • c) Natriumfosfaat
  • d) Aluminiumcarbonaat
  • e) Kaliumsulfide
  • f) ijzer(III)nitraat
  • g) lood(IV)oxide 
Klaar? lees vanaf naamgeving blz 18 en 19

Slide 18 - Tekstslide

Naamgeving zouten
Stap 1: ionformules
  • Uit welke twee ionen is de formule opgebouwd? 
Stap 2: ionnamen
  • Geef de namen van de ionen (zonder het achtervoegsel ‘ion’). Wanneer er van een metaalion verschillende soorten bestaan, geef je in de naam met een Romeins cijfer tussen haakjes aan om welk ion het gaat.
Stap 3: naam zout (achter elkaar plakken!)
  • Zet de naam van het negatieve ion achter de naam van het positieve ion.

Slide 19 - Tekstslide

Oefenen naamgeving zouten
HgBr2
  • = kwikbromide

K3PO4
  • = kaliumfofaat

FeO
  • = ijzer(II)oxide

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Tekstslide

Naamgeving zouten
Triviale naam vs systematische naam


Binas 66A

Slide 23 - Tekstslide

Maken opdracht 3, 4, 6, 7 en 9 (vanaf blz 20)

4a en 4e niet maken, al gemaakt.

(PS. 5 hebben jullie al gemaakt zojuist)

Slide 24 - Tekstslide