a) Voor elektrische stroomgeleiding zijn vrij bewegende, geladen deeltjes nodig. Een vast zout bevat wel geladen deeltjes (ionen), maar deze zitten op een vaste plek in het ionrooster en kunnen dus niet vrij bewegen.
b) De ionen van een gesmolten zout kunnen wel vrij bewegen. De negatieve ionen kunnen naar de positieve pool bewegen en de positieve ionen naar de negatieve pool. Zo kan een vloeibaar zout de elektrische stroom geleiden
Slide 4 - Tekstslide
Leerdoel 4.1
4.1.1 Je kunt de systematische namen en verhoudingsformules van zouten geven en gebruiken.
Slide 5 - Tekstslide
Ontstaan van zouten
Reactie tussen metalen en moleculaire stoffen.
Metaalatomen geven valentie-elektronen af aan niet-metaalatomen.
Ionbinding: sterke binding tussen positieve en negatieve ionen. Door sterke ionbinding zijn zouten vaste stoffen.
Vorming van een kristalrooster (ionrooster).
Verstoring van het ionrooster → materiaalbreuk door afstoting van gelijke ladingen.
Slide 7 - Tekstslide
Eigenschappen van zouten
Vaste stoffen bij kamertemperatuur door sterke ionbinding.
Geen elektrische geleiding in vaste fase (ionen vast in rooster).
Geleiding van stroom in vloeibare of opgeloste toestand (vrije ionen).
Hoge smelt- en ontleedpunten (zie Binas tabel 42A).
Materiaalsterkte: sterk, maar niet-vervormbaar:
Slide 8 - Tekstslide
Enkelvoudige en samengestelde ionen
Ionen zijn geladen deeltjes:
Wanneer een stof meer elektronen dan protonen bevat is dit een negatief geladen deeltje.
Wanneer eens stof meer protonen dan elektronen bevat is dit een positief geladen deeltje.
Slide 9 - Tekstslide
Enkelvoudige ionen
Bestaan uit één atoom.
Voorbeelden:
Na⁺
Al³⁺
O²⁻.
Samengestelde ionen
Bestaan uit atoomgroepen verbonden door atoombindingen.
Voorbeelden:
Carbonaation: CO₃²⁻
Hydroxide-ion: OH⁻
Fosfaation: PO₄³⁻
Slide 10 - Tekstslide
Tabel 1 blz 16!!
Slide 11 - Tekstslide
Tabel 1 blz 16!!
Slide 12 - Tekstslide
Opstellen formule van een zout (verhoudingsformules)
Stappenplan opstellen zoutformule
Noteer de naam van het zout.
Noteer de ionen die zich in het zout bevinden.
Bepaal hoeveel je van elk ion nodig hebt, om net zoveel positief als negatieve lading te krijgen.
Schrijf de formule op: gebruik indexgetallen als je een ion 2 of meer keer gebruikt. (index moeten zo laag mogelijke en hele getallen zijn).
Slide 13 - Tekstslide
Samen oefenen
Kaliumbromide
K+ en Br–
1x en 1x (beide lading 1)
KBr
Calciumsulfide
Ca2+ en S2-
1x en 1x (beide lading 2)
CaS
Slide 14 - Tekstslide
Samen oefenen (2)
Natriumoxide
Na+ en O2-
2x en 1x (worden beide lading 2)
Na2O
Aluminiumoxide
Al3+ en O2-
2x en 3x (worden beide lading 6)
Al2O3
Slide 15 - Tekstslide
opstellen verhoudingsformule met samengestelde ionen
Zelfde stappen als opstellen zouten.
..... maar..... wanneer een samengesteld ion meer dan één keer voorkomt, zet je haakjes om het ion heen (haal de lading wel weg!)
Slide 16 - Tekstslide
Samen oefenen
Calciumnitraat
Ca2+ en NO3–
1x en 2x (worden beide lading 2)
Ca(NO3)2
Ammoniumfosfaat
NH4+ en PO43-
3x en 1x (worden beide lading 3)
(NH4)3PO4
Slide 17 - Tekstslide
Nu zelf maken:
a) Calciumchloride
b) Magnesiumsulfaat
c) Natriumfosfaat
d) Aluminiumcarbonaat
e) Kaliumsulfide
f) ijzer(III)nitraat
g) lood(IV)oxide
Klaar? lees vanaf naamgeving blz 18 en 19
Slide 18 - Tekstslide
Naamgeving zouten
Stap 1: ionformules
Uit welke twee ionen is de formule opgebouwd?
Stap 2: ionnamen
Geef de namen van de ionen (zonder het achtervoegsel ‘ion’). Wanneer er van een metaalion verschillende soorten bestaan, geef je in de naam met een Romeins cijfer tussen haakjes aan om welk ion het gaat.
Stap 3: naam zout (achter elkaar plakken!)
Zet de naam van het negatieve ion achter de naam van het positieve ion.