M2 3 Grammatica H5 alle woordsoorten/voornaamwoorden & H6 bijwoord

Vandaag

Herhaling alles van H5 en 
H6 de bijwoorden

1 / 46
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

In deze les zitten 46 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Vandaag

Herhaling alles van H5 en 
H6 de bijwoorden

Slide 1 - Tekstslide

Lezen
timer
10:00

Slide 2 - Tekstslide

Te behandelen grammatica Kern P3

H5 Taalkundig ontleden (ZN LW BVN VZ VNW (pers, bez, aanw) WW): behandeld
H6 Bijwoord en telwoord: 
H19 Redekundig ontleden PV OW WG LV MV BWB: 
H33 Werkwoorden herkennen
H34 Naamwoordelijk gezegde
H47 Voorzetselvoorwerp
H61 Samengestelde zinnen
H62 Voegwoorden
H75 Bijvoeglijke bepaling

Slide 3 - Tekstslide

Lesdoelen
Na deze les:

Weet je hoe je alle woordsoorten van H5 herkent in een zin en ken je het bijwoord.

Slide 4 - Tekstslide



Herhaling vorige les




Bijwoord

Slide 5 - Tekstslide

bijwoord

Slide 6 - Tekstslide

Bijwoord 

Geeft extra informatie over:

  • een werkwoord
  • een ander bijwoord
  • een bijvoeglijk naamwoord
  • de plaats
  • de tijd

Slide 7 - Tekstslide

Bijwoord 

Informatie over een werkwoord:


Hij loopt snel.


Het bijwoord is snel-> het zegt iets over het werkwoord lopen.


Slide 8 - Tekstslide

Bijwoord 

Informatie over een ander bijwoord:


Hij loopt heel snel.


het bijwoord is heel -> het zegt iets over het andere bijwoord snel.


Slide 9 - Tekstslide

Bijwoord 

Informatie over het bijvoeglijk naamwoord:


Het is een ontzettend mooi huis!


Het bijwoord is ontzettend -> het zegt iets over

het bijvoeglijk naamwoord mooi 




Slide 10 - Tekstslide

Bijwoord 

Over de tijd:


's Morgens ga ik altijd naar de wc.


bijwoord is 's morgens -> het zegt iets over de tijd


(wanneer)

Slide 11 - Tekstslide

Bijwoord 

Hier heb ik het gevonden!


Het bijwoord is hier -> het zegt iets over de plaats.


(waar?)

Slide 12 - Tekstslide

Zelfstandig naamwoord ZN
  • Dit is een woord voor een mens, dier, ding, plant of gevoel.
  • kat, huis, hond, liefde, verdriet, cactus
  • Heeft meestal een enkelvoud en meervoud: kat/katten.
  • Je kunt er vaak een verkleinwoord van maken: koekje, bakje, boekje.  
  • Je kan er een lidwoord voorzetten.

Slide 13 - Tekstslide

Lidwoord LW
  • De, het of een

  • Een lidwoord staat altijd voor een zelfstandig naamwoord. 
  • de fiets, het huis, de hond, een dier

Slide 14 - Tekstslide

Bijvoeglijk naamwoord BN
Zegt iets over een zelfstandig naamwoord.

Staat meestal vóór en soms achter een zelfstandig naamwoord.

Slide 15 - Tekstslide

Voorzetsel VZ
Dit zijn woorden die een plaats, tijd of reden aangeven:
achter, bij, door, in, naar, op, onder, om, van, voor, met​, tijdens

Gebruik je altijd in combinatie met een ander woord. ​

Zet je voor een lidwoord + zelfstandig naamwoord: 
door de sneeuw, naast de auto​



Slide 16 - Tekstslide

Voornaamwoorden
wie.

Slide 17 - Tekstslide

Voornaamwoorden
  • persoonlijk
  • bezittelijk
  • aanwijzend
  • betrekkelijk

Slide 18 - Tekstslide

Persoonlijk voornaamwoord 

Een persoonlijk voornaamwoord verwijst naar een persoon of een groep personen:

Het meisje heeft een jurk gekocht. 
Zij heeft een jurk gekocht.

Slide 19 - Tekstslide

Persoonlijk voornaamwoord 
Ik, je, jij, jou, u, hij, zij, ze, wij, we, jullie, mij, me, hem, haar, ons, hen, hun, ze

Ik ben jarig. 
Geef dat maar aan ons

Slide 20 - Tekstslide

Bezittelijk voornaamwoord 
Een bezittelijk voornaamwoord geeft een bezit aan. 
  • Haar opa is heel aardig. 
Een bezittelijk vnw. staat bijna altijd voor een zelfstandig naamwoord. 
  • Zijn appel is verrot. 

mijn, hun, zijn, haar, jouw, je, ons

Slide 21 - Tekstslide

Aanwijzend voornaamwoord
Wijst (bijna) letterlijk iets of iemand aan.
deze, die, dit, dat, zulke
  • de-woorden> deze en die
de auto, deze auto, die auto
  • het-woorden> dit en dat
het huis, dit huis, dat huis
  • meervoud> deze en die auto's

Slide 22 - Tekstslide

Betrekkelijk voornaamwoord 
Een betrekkelijk voornaamwoord verwijst terug naar een woord of groep woorden ervoor.
dat, die, wat, wie

Bijvoorbeeld:
  • Het boek dat ik lees
  • De kamer die opgeruimd is

Slide 23 - Tekstslide

Betrekkelijk voornaamwoord 
Een betrekkelijk voornaamwoord verwijst terug naar een woord/woordgroepje wat er vlak voor staat. 

Zo'n woord/woordgroepje noem je het antecedent.

Slide 24 - Tekstslide

Betrekkelijk voornaamwoord 
De belangrijkste betrekkelijke voornaamwoorden zijn: die (bij de-woorden) en dat (bij het-woorden).


Slide 25 - Tekstslide

Betrekkelijk voornaamwoord 

Een betrekkelijk voornaamwoord verwijst terug naar een woord / groep woorden in de zin ervoor. 


Waarnaar het betrekkelijk voornaamwoord verwijst = antecedent.


Waar is de hond die hij geweldig vond?
betrekkelijk voornaamwoord: die
antecedent: de hond


Slide 26 - Tekstslide

Persoonlijk voornaamwoord 

Een persoonlijk voornaamwoord verwijst naar een persoon of een groep personen:

Het meisje heeft een jurk gekocht. 
Zij heeft een jurk gekocht.

Slide 27 - Tekstslide

Persoonlijk voornaamwoord 

Ik, je, jij, jou, u, hij, zij, ze, wij, we, jullie, mij, me, hem, haar, ons, hen, hun, ze

Ik ben jarig. 

Slide 28 - Tekstslide

Bezittelijk voornaamwoord 
Een bezittelijk voornaamwoord geeft een bezit aan. 
  • Haar opa
Een bezittelijk vnw. staat bijna altijd voor een zelfstandig naamwoord. 
  • Zijn appel

mijn, hun, zijn, haar, jouw, je, ons

Slide 29 - Tekstslide

Aanwijzend voornaamwoord
Wijst (bijna) letterlijk iets of iemand aan.
deze, die, dit, dat, zulke
  • de-woorden> deze en die
de auto, deze auto, die auto
  • het-woord> dit en dat
het huis, dit huis, dat huis
  • meervoud> deze en die auto's

Slide 30 - Tekstslide

Betrekkelijk voornaamwoord 
Een betrekkelijk voornaamwoord verwijst terug naar een woord of groep woorden ervoor.
dat, die, wat, wie

Bijvoorbeeld:
  • Het boek dat ik lees
  • De kamer die opgeruimd is

Slide 31 - Tekstslide

Betrekkelijk voornaamwoord 
Een betrekkelijk voornaamwoord verwijst terug naar een woord/woordgroepje wat er vlak voor staat. 

Zo'n woord/woordgroepje noem je het antecedent.

Slide 32 - Tekstslide

Betrekkelijk voornaamwoord 
  • De belangrijkste betrekkelijke voornaamwoorden zijn: die (bij de-woorden) en dat (bij het-woorden).


Slide 33 - Tekstslide

Betrekkelijk voornaamwoord 

Een betrekkelijk voornaamwoord verwijst terug naar een woord / groep woorden in de zin ervoor. 


Waarnaar het betrekkelijk voornaamwoord verwijst = antecedent.


Waar is de hond die hij geweldig vond?
betrekkelijk voornaamwoord: die
antecedent: de hond


Slide 34 - Tekstslide

Hoe vind je een voltooid deelwoord
Staat vaak aan het einde van de zin.

Aan het begin van het voltooid deelwoord staat vaak ge- be- ver- ont-

Eindigt op
  • -d of -t (zwakke werkwoorden) bijv. geopereerd, gevist
  • -en (sterkte werkwoorden) bijv. gegeten, gelopen

Er staat altijd een een ander werkwoord in de zin, een hulpwerkwoord: hebben, zijn, worden

Eindigt nooit op -dt!!!!!
Hoe vind je het voltooid deelwoord

Slide 35 - Tekstslide

Hoe vind je een voltooid deelwoord
  • Staat nooit als enige werkwoord in een zin. 
  • Er staat altijd een vorm van hebben, zijn, worden bij. 

Ik heb in de vakantie gewerkt (zwak). 
De brug wordt hersteld (zwak). 
Mijn zus is vertrokken (sterk).



Voltooid deelwoord

Slide 36 - Tekstslide

Mijn broer moet morgen voetballen. (wij voetballen)
PV = moet
Er is geen voltooid deelwoord. 
voetballen = hele werkwoord (infinitief)

Hij moet nu gaan. (wij gaan)

Mijn vriend moet morgen tennissen. (wij tennissen)
Hele werkwoord = infinitief

Slide 37 - Tekstslide

Hele werkwoord + d

Sabine en Claire gaan fietsend naar de training.
Lachend vertellen Jarie en Marie een grap.
Huilend vertelde ze het verhaal. 
Onvoltooid deelwoord

Slide 38 - Tekstslide

Huiswerk nakijken
2C: H5 opdr. 3 t/m 6 nog nakijken. 




Slide 39 - Tekstslide

Huiswerk
Maken H5 opdracht 7 t/m 10
H6 opdracht 1 t/m 3

Maken oefenblad H5 Teams

Slide 40 - Tekstslide

Aan de slag


    Je gaat aan de slag met je huiswerk.

    Hoe? In je groepje en zachtjes pratend. 

    Slide 41 - Tekstslide


    Is de opdracht duidelijk?

    Slide 42 - Tekstslide

    Volgende les


    H6 telwoorden

    Slide 43 - Tekstslide

    Zijn voor jou de lesdoelen behaald
    Ik ken de woordsoorten uit H5. 

    Slide 44 - Tekstslide

    Hoe ging deze les?
    Wat heb je geleerd vandaag?

    Wat vond je leuk aan deze les? 

    Heeft iemand vragen?

    Slide 45 - Tekstslide


    Fijne dag en tot de volgende les.
    tot de volgende keer!

    Slide 46 - Tekstslide