spelling h3 en v3 - theorie Leswijs

SPELLING
V3
Theorie Leswijs
1 / 44
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 3

In deze les zitten 44 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

SPELLING
V3
Theorie Leswijs

Slide 1 - Tekstslide

Hoofdletter

Het eerste woord van een zin
Namen van personen / Merknamen
Namen van boeken, films et cetera
Aardrijkskundige namen: steden, landen, provincies, rivieren 
Feestdagen
Afkortingen politieke partijen en instellingen






Slide 2 - Tekstslide

aardrijkskundige namen
Bij samengestelde aardrijkskundige namen.

• Aarle-Rixtel
• Knokke-Heist

Slide 3 - Tekstslide

aardrijkskundige namen
Of aardrijkskundige namen met als linkerdeel een woord als Noord, Zuid, Centraal, Hoog, Beneden, Midden, Nieuw, Nederlands, Belgisch, Vlaams, Frans, Afro of Indo.

• Midden-Amerika
• Vlaams-Brabant
• Zuid-Hollands
• Nieuw-Zeelander



Slide 4 - Tekstslide

hoofdletter
• zwart-Amerikaans

• anti-Frans
• on-Engels

Slide 5 - Tekstslide

Geen hoofdletter
Windstreken (de wind komt uit het noorden)
Schoolvakken (m.u.v. talen ;))
Samenstellingen van feestdagen (Kerst - kerstvakantie)
Seizoenen


Slide 6 - Tekstslide

Leestekens 
Punt, vraagteken, uitroepteken

Een zin eindigt met een punt. Een vraagzin eindigt met een vraagteken. Als iemand luid roept, een bevel geeft of kwaad is, gebruik je een uitroepteken.

Slide 7 - Tekstslide

Leestekens 
Dubbele punt, aanhalingstekens
Wanneer iemand iets zegt, gebruik je een dubbele punt en aanhalingstekens. Na de dubbele punt gebruik je een hoofdletter:

Sophie zei: ‘Ik wil naar huis.’

‘Ik wil nu naar huis’, zei Sophie. ‘En denk maar niet dat ik morgen nog een keer ga nablijven!’

Slide 8 - Tekstslide

Komma
Tussen twee persoonsvormen 
Bij een pauze in de zin gebruik je een komma
Als je een zin begint met ‘echter’, ‘kortom’ en ‘trouwens’
Bij een opsomming



Slide 9 - Tekstslide

Trema
Twee klinkers na elkaar (geïnteresseerd, vacuüm, conciërge)
Getallen (tweeëntwintig)
meervoud van woorden die eindigen op -ie (bacteriën, oliën)

Wel bij: financiën, kopiëren- Niet bij:  financieel, kopieert



Slide 10 - Tekstslide

Haakjes en dubbele punt
Haakjes gebruik je als je iets wilt toevoegen
Piet (vijftig jaar) speelt nog steeds met lego

Dubbele punt:
In plaats van ‘want’ of ‘namelijk
Bij plaats en tijd
opsommingIn korte zinnen met een conclusie of advies



Slide 11 - Tekstslide

Getallen
Tot 20 = uitschrijven (twintig)
Boven 20 = getallen (50)
Beide in 1 zin - dan getallen
Van de 22 leerlingen hadden er 17 een voldoende.


Slide 12 - Tekstslide

Ronde getallen
De ronde getallen schrijf je voluit: tientallen, honderdtallen, duizendtallen.
Je schrijft dus: veertig, zeshonderd, vijfduizend. Ook schrijf je: honderdduizend, miljoen, miljard, biljoen

Slide 13 - Tekstslide

Eenheden 
Bij exacte eenheden als snelheid, gewicht, maat, afstand en dergelijke gebruik je cijfers:
Hij fietst 15 km per uur.
Gebruik 12 gram zout en 25 gram suiker

Slide 14 - Tekstslide

Grote getallen
Grote getallen krijgen punten, dat houdt ze leesbaar. Zet de punten steeds na drie cijfers, gerekend van rechts naar links:

22.378 mensen gingen naar de wedstrijd.
Zonder voorsteden telde Parijs in 1999 2.257.982 inwoners.


Slide 15 - Tekstslide

Geldbedragen
Bij een geldbedrag noteer je eerst het valutateken (€, $ et) daarna komt er een spatie.
Bij niet-ronde getallen schrijf je een komma. Na de komma gebruik je geen spatie
Het saucijzenbroodje was afgeprijsd van € 2,95 naar € 2.
De Ferrari kost € 66.278

Slide 16 - Tekstslide

Breuken
Breuken schrijf je met spatie
Twee derde van de jongens ging mee terwijl een zesde van de meisjes meeging.

 Maar driekwart en anderhalf schrijf je aan elkaar. Je schrijft ook tweeënhalf, drieënhalf en vierenhalf.

Slide 17 - Tekstslide

Rangtelwoorden
Plaats de -de of de -ste direct achter de cijfers. Je mag ze ook halfhoog plaatsen, dan schrijf je 3de en 28ste. Belangrijk is wel dat je in de hele tekst dezelfde vorm kiest voor de rangtelwoorden:
Oranje haalde de 2de plaats.
Oranje haalde de tweede plaats.

Slide 18 - Tekstslide

Meervoud
Medeklinkers aan het eind worden verdubbeld als dat nodig is voor de uitspraak (bed - bedden)
Medeklinkers kunnen veranderen, vooral de -f en de -s
(slurf - slurven - dief - dieven)
Woorden die eindigen op een klinker (a, i, o, u en y) krijgen een apostrof als je ze fout kunt uitspreken
(agenda - agenda’s - paraplu - paraplu’s)


Slide 19 - Tekstslide

Meervoud 
Woorden die je niet fout kunt uitspreken en woorden die eindigen op de klinker -e, krijgen geen apostrof.
logé - logés     horloge - horloges
abonnee - abonnees     milieu - milieus
niveau - niveaus      etui - etuis

Slide 20 - Tekstslide

meervoud
Woorden die eindigen op -ie, krijgen -n en een trema als de klemtoon niet op de ‘ie’ valt. 
koloniën     bacteriën    oliën     poriën      financiën 

Woorden die eindigen op -ie, krijgen -ën als de klemtoon wel op de ‘ie’ valt. Er zijn veel meervouden die op -ieën eindigen.
fantasieën      strategieën     knieën     theorieën

Slide 21 - Tekstslide

meervoud
Woorden die eindigen op -ee krijgen -ën
ideeën   orchideeën

Leenwoorden uit het Latijn hebben meestal hun oorspronkelijke meervoud
critici    g
ymnasia   crises










Slide 22 - Tekstslide

Meervoud
Woorden die eindigen op -ik, -es, -et, krijgen -ken, -sen, -ten als de klemtoon wel op de laatste lettergreep valt. De medeklinker wordt dus wel verdubbeld
haarstrikken    prinsessen     minaretten

Woorden die eindigen op -ik, -es, -it krijgen -en als de klemtoon niet op de laatste lettergreep valt. De medeklinker wordt dus niet verdubbeld
monniken viezeriken luiwammesen kieviten

Slide 23 - Tekstslide

Verkleinwoorden
Wist je dat.....
er zijn ook woorden die alleen maar als verkleinwoord voorkomen. Er bestaat geen ‘grote’ vorm: sprookje. Of er bestaat wel een ‘grote’ vorm, maar die betekent niet hetzelfde: zoutjes, apenstaartje, etentje.

Slide 24 - Tekstslide

Verkleinwoorden
Verklein je zelfstandige naamwoorden die eindigen op -a, -o, -u of -é, dan verdubbelt de klinker
oma - omaatje auto - autootje paraplu - parapluutje

Bij zelfstandige naamwoorden die eindigen op -i, verandert de -i in -ie : ski - skietje taxi - taxietje

Bij zelfstandige naamwoorden die eindigen op -y, schrijf je een apostrof: baby - baby’tje hobby - hobby’tje

Slide 25 - Tekstslide

het bijvoeglijk naamwoord

Slide 26 - Tekstslide

Een bijvoeglijk naamwoord dat vóór een zelfstandig naamwoord staat, krijgt een -e
de rode auto - de mooie mountainbike
 
Uitzondering: Een bijvoeglijk naamwoord voor een onzijdig zelfstandig naamwoord krijgt geen -e als er geen lidwoord of voornaamwoord voor staat,
of als er ‘ een’ of ‘geen’ voor staat:
Nou, dat is een intelligent antwoord.
Dat is geen intelligent antwoord. 

Slide 27 - Tekstslide

Bijvoeglijke naamwoorden die een stof of materiaal uitdrukken, eindigen op -en:
een linnen theedoek  - zijn zijden stropdas
een houten roeiboot  -  de gouden medaille

Bijvoeglijke naamwoorden die van een onregelmatig werkwoord zijn afgeleid, eindigen, net als het voltooid deelwoord, op -en
de vertrokken minnaar  - de gelopen race
de uitgezonden soldaat

Slide 28 - Tekstslide

Je schrijft een bijvoeglijk gebruikt werkwoord nooit met een extra –d of –t. Uiteraard schrijf je wel een dubbel –d of dubbel –t als dat nodig is voor de uitspraak:
De geredde prinses - De geklede prinses
De verrotte appels  - De grote appels
De uitgeputte hardloper - De uitgeruste hardloper
De bekladde auto’s - De versierde auto’s

Slide 29 - Tekstslide

Zelfstandig gebruikte bijvoeglijke naamwoorden
Een zelfstandig gebruikt bijvoeglijk naamwoord waar een zaak mee bedoeld wordt, eindigt op een -e.
Wanneer er meerdere personen mee worden bedoeld, eindigt het zelfstandig gebruikte bijvoeglijk naamwoord op -en.

Dove mensen kunnen zich goed redden met gebarentaal. (dove = bvn)
Ook steeds meer video's zijn door doven goed te volgen door de ondertiteling. (doven = zelfstandig gebruikt bij personen) 

Slide 30 - Tekstslide

Samenstellingen
Een samenstelling is het samengaan van twee aparte woorden. De woorden ‘les’ en ‘boek’ worden samen ‘lesboek’. Een samenstelling schrijf je zoveel mogelijk aan elkaar.

Samenstellingen met een voorzetsel schrijf je ook aan elkaar.




Slide 31 - Tekstslide

-e of -en?
Bij een samenstelling hoor je niet altijd of je de tussenklank -e of -en schrijft. Is het: paddestoel of paddenstoel? Ellenboog of elleboog?

Dit probleem komt meestal voor bij samenstellingen van zelfstandige naamwoorden. De regel luidt als volgt:

We schrijven de tussenklank -en als het linkerdeel van de samenstelling een zelfstandig naamwoord is dat een meervoud heeft op -en, maar geen meervoud op -es.

Slide 32 - Tekstslide

Samenstellingen met koppelteken
Wanneer er kans is op een uitspraakprobleem (of een leesprobleem) gebruik je een koppelteken.
stageplaats en stage-uren - nadoen en na-apen

Bij samenstellingen die een deel van het woord weglaten:
slaap- en waakritme  -  in- en uitgang

Bij samenstellingen met letters, afkortingen en cijfers
vwo-leerling    -     
d-snaar   -    12-letterige code 



Slide 33 - Tekstslide

Samenstellingen met koppelteken
Bij samenstellingen met ‘ex’ en ‘oud 
ex-vriend   -   oud-leerling

Bij samenstellingen met aardrijkskundige namen
Zuid-Amerika   - Zuidoost-Gelderland
Amsterdam-Oost   -  Noord-Hollander

Slide 34 - Tekstslide

Samenstellingen - tussen -s
Wanneer je bij een samenstelling een tussen-s hoort, schrijf je die ook: meningsverschil  - meisjesfiets  - dorpscafé 

Je schrijft deze tussen-s ook als het tweede woord van zichzelf al met een -s begint. Deze woorden hebben dan dus een dubbele -s 
meisjesstem  - dorpsstraat  - beroepsslager


Slide 35 - Tekstslide

Slide 36 - Tekstslide

Werkwoordspelling
Werkwoorden kun je niet schrijven zonder na te denken.
Werkwoorden kan je niet schrijven zonder na te denken.

Slide 37 - Tekstslide

Persoonsvorm
De belangrijkste vraag bij de werkwoordspelling is: is het werkwoord een persoonsvorm of niet?
EV/MV - Tijdproef - ?

Slide 38 - Tekstslide

Geen persoonsvorm
 een voltooid deelwoord, een onvoltooid deelwoord of het hele werkwoord (infinitief)? Schrijf het woord dan zo kort mogelijk. Maak de ik-vorm langer als je wilt weten of het op een -d of op een -t eindigt:

Slide 39 - Tekstslide

't sexyfokschaap
Verledentijd en voltooid deelwoord

Slide 40 - Tekstslide

Slide 41 - Tekstslide

Slide 42 - Tekstslide

Engelse werkwoorden
De stam van een Nederlands werkwoord is het hele werkwoord -en. De stam van een werkwoord uit het Engels is gelijk aan de Engelse ik-vorm. Sommige werkwoorden die vanuit het Engels komen, krijgen een extra -e om de Engelse klank te kunnen behouden.

recyclen, recyclede, (heeft) gerecycled
deleten, deletete, (is) gedeletet
timen, timede, (heeft) getimed

Slide 43 - Tekstslide

Slide 44 - Tekstslide