Het eerste woord van een zin Namen van personen / Merknamen Namen van boeken, films et cetera Aardrijkskundige namen: steden, landen, provincies, rivieren Feestdagen Afkortingen politieke partijen en instellingen
Slide 2 - Tekstslide
aardrijkskundige namen
Bij samengestelde aardrijkskundige namen.
• Aarle-Rixtel
• Knokke-Heist
Slide 3 - Tekstslide
aardrijkskundige namen
Of aardrijkskundige namen met als linkerdeel een woord als Noord, Zuid, Centraal, Hoog, Beneden, Midden, Nieuw, Nederlands, Belgisch, Vlaams, Frans, Afro of Indo.
• Midden-Amerika
• Vlaams-Brabant
• Zuid-Hollands
• Nieuw-Zeelander
Slide 4 - Tekstslide
hoofdletter
• zwart-Amerikaans
• anti-Frans
• on-Engels
Slide 5 - Tekstslide
Geen hoofdletter
Windstreken (de wind komt uit het noorden) Schoolvakken (m.u.v. talen ;)) Samenstellingen van feestdagen (Kerst - kerstvakantie) Seizoenen
Slide 6 - Tekstslide
Leestekens
Punt, vraagteken, uitroepteken
Een zin eindigt met een punt. Een vraagzin eindigt met een vraagteken. Als iemand luid roept, een bevel geeft of kwaad is, gebruik je een uitroepteken.
Slide 7 - Tekstslide
Leestekens
Dubbele punt, aanhalingstekens Wanneer iemand iets zegt, gebruik je een dubbele punt en aanhalingstekens. Na de dubbele punt gebruik je een hoofdletter:
Sophie zei: ‘Ik wil naar huis.’
‘Ik wil nu naar huis’, zei Sophie. ‘En denk maar niet dat ik morgen nog een keer ga nablijven!’
Slide 8 - Tekstslide
Komma
Tussen twee persoonsvormen Bij een pauze in de zin gebruik je een komma Als je een zin begint met ‘echter’, ‘kortom’ en ‘trouwens’ Bij een opsomming
Slide 9 - Tekstslide
Trema
Twee klinkers na elkaar (geïnteresseerd, vacuüm, conciërge) Getallen (tweeëntwintig) meervoud van woorden die eindigen op -ie (bacteriën, oliën)
Wel bij: financiën, kopiëren- Niet bij: financieel, kopieert
Slide 10 - Tekstslide
Haakjes en dubbele punt
Haakjes gebruik je als je iets wilt toevoegen Piet (vijftig jaar) speelt nog steeds met lego
Dubbele punt: In plaats van ‘want’ of ‘namelijk Bij plaats en tijd opsommingIn korte zinnen met een conclusie of advies
Slide 11 - Tekstslide
Getallen
Tot 20 = uitschrijven (twintig) Boven 20 = getallen (50) Beide in 1 zin - dan getallen Van de 22 leerlingen hadden er 17 een voldoende.
Slide 12 - Tekstslide
Ronde getallen
De ronde getallen schrijf je voluit: tientallen, honderdtallen, duizendtallen. Je schrijft dus: veertig, zeshonderd, vijfduizend. Ook schrijf je: honderdduizend, miljoen, miljard, biljoen
Slide 13 - Tekstslide
Eenheden
Bij exacte eenheden als snelheid, gewicht, maat, afstand en dergelijke gebruik je cijfers: Hij fietst 15 km per uur.
Gebruik 12 gram zout en 25 gram suiker
Slide 14 - Tekstslide
Grote getallen
Grote getallen krijgen punten, dat houdt ze leesbaar. Zet de punten steeds na drie cijfers, gerekend van rechts naar links:
22.378 mensen gingen naar de wedstrijd.
Zonder voorsteden telde Parijs in 1999 2.257.982 inwoners.
Slide 15 - Tekstslide
Geldbedragen
Bij een geldbedrag noteer je eerst het valutateken (€, $ et) daarna komt er een spatie. Bij niet-ronde getallen schrijf je een komma. Na de komma gebruik je geen spatie Het saucijzenbroodje was afgeprijsd van € 2,95 naar € 2.
De Ferrari kost € 66.278
Slide 16 - Tekstslide
Breuken
Breuken schrijf je met spatie Twee derde van de jongens ging mee terwijl een zesde van de meisjes meeging.
Maar driekwart en anderhalf schrijf je aan elkaar. Je schrijft ook tweeënhalf, drieënhalf en vierenhalf.
Slide 17 - Tekstslide
Rangtelwoorden
Plaats de -de of de -ste direct achter de cijfers. Je mag ze ook halfhoog plaatsen, dan schrijf je 3de en 28ste. Belangrijk is wel dat je in de hele tekst dezelfde vorm kiest voor de rangtelwoorden: Oranje haalde de 2de plaats.
Oranje haalde de tweede plaats.
Slide 18 - Tekstslide
Meervoud
Medeklinkers aan het eind worden verdubbeld als dat nodig is voor de uitspraak (bed - bedden) Medeklinkers kunnen veranderen, vooral de -f en de -s (slurf - slurven - dief - dieven) Woorden die eindigen op een klinker (a, i, o, u en y) krijgen een apostrof als je ze fout kunt uitspreken (agenda - agenda’s - paraplu - paraplu’s)
Slide 19 - Tekstslide
Meervoud
Woorden die je niet fout kunt uitspreken en woorden die eindigen op de klinker -e, krijgen geen apostrof. logé - logés horloge - horloges
abonnee - abonnees milieu - milieus
niveau - niveaus etui - etuis
Slide 20 - Tekstslide
meervoud
Woorden die eindigen op -ie, krijgen -n en een trema als de klemtoon niet op de ‘ie’ valt. koloniën bacteriën oliën poriën financiën
Woorden die eindigen op -ie, krijgen -ën als de klemtoon wel op de ‘ie’ valt. Er zijn veel meervouden die op -ieën eindigen.
fantasieën strategieën knieën theorieën
Slide 21 - Tekstslide
meervoud
Woorden die eindigen op -ee krijgen -ën ideeën orchideeën
Leenwoorden uit het Latijn hebben meestal hun oorspronkelijke meervoud critici gymnasia crises
Slide 22 - Tekstslide
Meervoud
Woorden die eindigen op -ik, -es, -et, krijgen -ken, -sen, -ten als de klemtoon wel op de laatste lettergreep valt. De medeklinker wordt dus wel verdubbeld haarstrikken prinsessen minaretten
Woorden die eindigen op -ik, -es, -it krijgen -en als de klemtoon niet op de laatste lettergreep valt. De medeklinker wordt dus niet verdubbeld
monniken viezeriken luiwammesen kieviten
Slide 23 - Tekstslide
Verkleinwoorden
Wist je dat..... er zijn ook woorden die alleen maar als verkleinwoord voorkomen. Er bestaat geen ‘grote’ vorm: sprookje. Of er bestaat wel een ‘grote’ vorm, maar die betekent niet hetzelfde: zoutjes, apenstaartje, etentje.
Slide 24 - Tekstslide
Verkleinwoorden
Verklein je zelfstandige naamwoorden die eindigen op -a, -o, -u of -é, dan verdubbelt de klinker
oma - omaatje auto - autootje paraplu - parapluutje
Bij zelfstandige naamwoorden die eindigen op -i, verandert de -i in -ie : ski - skietje taxi - taxietje
Bij zelfstandige naamwoorden die eindigen op -y, schrijf je een apostrof: baby - baby’tje hobby - hobby’tje
Slide 25 - Tekstslide
het bijvoeglijk naamwoord
Slide 26 - Tekstslide
Een bijvoeglijk naamwoord dat vóór een zelfstandig naamwoord staat, krijgt een -e
de rode auto - de mooie mountainbike
Uitzondering: Een bijvoeglijk naamwoord voor een onzijdig zelfstandig naamwoord krijgt geen -e als er geen lidwoord of voornaamwoord voor staat, of als er ‘ een’ of ‘geen’ voor staat:
Nou, dat is een intelligent antwoord.
Dat is geen intelligent antwoord.
Slide 27 - Tekstslide
Bijvoeglijke naamwoorden die een stof of materiaal uitdrukken, eindigen op -en: een linnen theedoek - zijn zijden stropdas
een houten roeiboot - de gouden medaille
Bijvoeglijke naamwoorden die van een onregelmatig werkwoord zijn afgeleid, eindigen, net als het voltooid deelwoord, op -en de vertrokken minnaar - de gelopen race
de uitgezonden soldaat
Slide 28 - Tekstslide
Je schrijft een bijvoeglijk gebruikt werkwoord nooit met een extra –d of –t. Uiteraard schrijf je wel een dubbel –d of dubbel –t als dat nodig is voor de uitspraak: De geredde prinses - De geklede prinses
De verrotte appels - De grote appels
De uitgeputte hardloper - De uitgeruste hardloper
De bekladde auto’s - De versierde auto’s
Slide 29 - Tekstslide
Zelfstandig gebruikte bijvoeglijke naamwoorden
Een zelfstandig gebruikt bijvoeglijk naamwoord waar een zaak mee bedoeld wordt, eindigt op een -e.
Wanneer er meerdere personen mee worden bedoeld, eindigt het zelfstandig gebruikte bijvoeglijk naamwoord op -en. Dove mensen kunnen zich goed redden met gebarentaal. (dove = bvn)
Ook steeds meer video's zijn door doven goed te volgen door de ondertiteling. (doven = zelfstandig gebruikt bij personen)
Slide 30 - Tekstslide
Samenstellingen
Een samenstelling is het samengaan van twee aparte woorden. De woorden ‘les’ en ‘boek’ worden samen ‘lesboek’. Een samenstelling schrijf je zoveel mogelijk aan elkaar.
Samenstellingen met een voorzetsel schrijf je ook aan elkaar.
Slide 31 - Tekstslide
-e of -en?
Bij een samenstelling hoor je niet altijd of je de tussenklank -e of -en schrijft. Is het: paddestoel of paddenstoel? Ellenboog of elleboog?
Dit probleem komt meestal voor bij samenstellingen van zelfstandige naamwoorden. De regel luidt als volgt:
We schrijven de tussenklank -en als het linkerdeel van de samenstelling een zelfstandig naamwoord is dat een meervoud heeft op -en, maar geen meervoud op -es.
Slide 32 - Tekstslide
Samenstellingen met koppelteken
Wanneer er kans is op een uitspraakprobleem (of een leesprobleem) gebruik je een koppelteken.
stageplaats en stage-uren - nadoen en na-apen
Bij samenstellingen die een deel van het woord weglaten: slaap- en waakritme - in- en uitgang
Bij samenstellingen met letters, afkortingen en cijfers vwo-leerling - d-snaar - 12-letterige code
Slide 33 - Tekstslide
Samenstellingen met koppelteken
Bij samenstellingen met ‘ex’ en ‘oud
ex-vriend - oud-leerling
Bij samenstellingen met aardrijkskundige namen Zuid-Amerika - Zuidoost-Gelderland
Amsterdam-Oost - Noord-Hollander
Slide 34 - Tekstslide
Samenstellingen - tussen -s
Wanneer je bij een samenstelling een tussen-s hoort, schrijf je die ook: meningsverschil - meisjesfiets - dorpscafé
Je schrijft deze tussen-s ook als het tweede woord van zichzelf al met een -s begint. Deze woorden hebben dan dus een dubbele -s meisjesstem - dorpsstraat - beroepsslager
Slide 35 - Tekstslide
Slide 36 - Tekstslide
Werkwoordspelling
Werkwoorden kun je niet schrijven zonder na te denken. Werkwoorden kan je niet schrijven zonder na te denken.
Slide 37 - Tekstslide
Persoonsvorm
De belangrijkste vraag bij de werkwoordspelling is: is het werkwoord een persoonsvorm of niet? EV/MV - Tijdproef - ?
Slide 38 - Tekstslide
Geen persoonsvorm
een voltooid deelwoord, een onvoltooid deelwoord of het hele werkwoord (infinitief)? Schrijf het woord dan zo kort mogelijk. Maak de ik-vorm langer als je wilt weten of het op een -d of op een -t eindigt:
Slide 39 - Tekstslide
't sexyfokschaap
Verledentijd en voltooid deelwoord
Slide 40 - Tekstslide
Slide 41 - Tekstslide
Slide 42 - Tekstslide
Engelse werkwoorden
De stam van een Nederlands werkwoord is het hele werkwoord -en. De stam van een werkwoord uit het Engels is gelijk aan de Engelse ik-vorm. Sommige werkwoorden die vanuit het Engels komen, krijgen een extra -e om de Engelse klank te kunnen behouden.