1b 9-1: Lidwoorden zelfstandig naamwoorden

Goedemorgen!!!
Pak je leesboek.
Ga rustig zitten.
Ga lezen.
1 / 45
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 1

In deze les zitten 45 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Goedemorgen!!!
Pak je leesboek.
Ga rustig zitten.
Ga lezen.

Slide 1 - Tekstslide

fictie
spelling
grammatica
lezen
schrijven

Slide 2 - Tekstslide

Maand: Programma
Maandag 16 januari so
Maandag 23 januari proefwerk

6 februari: eerste deel website af

Zoek een leuk boek uit, neem deze iedere les mee. 

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Programma: oefenen voor de toets
-Toets nakijken

-Laatste letter d/t
-Meervouden
-Woordsoorten: Lidwoorden en zelfstandig naamwoorden.
- Zinsdelen: Onderwerp en persoonsvorm.



Slide 5 - Tekstslide

Na de les...
...begrijp ik de verlengproef 


...weet ik hoe ik meervouden moet spellen. 


....begrijp ik de Woordsoorten: Lidwoord en zelfstandig naamwoord.

...begrijp ik de Zinsdelen: Persoonsvorm en onderwerp.

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Link

Slide 8 - Tekstslide

Programma: oefenen voor de toets
-Laatste letter d/t
-Meervouden
-Woordsoorten: Lidwoorden en zelfstandig naamwoorden.
- Zinsdelen: Onderwerp en persoonsvorm.



Slide 9 - Tekstslide

ev / mv
Wat betekent enkelvoud?
Wat betekent meervoud?

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

Enkelvoud
vriend
schrift
----------------------------------
kerel
wielrenner
----------------------------------
brief
gans
jas
muur
Meervoud
vrienden
schriften
----------------------------------
kerels
wielrenners
----------------------------------
brieven
ganzen
jassen
muren

Slide 12 - Tekstslide

Enkelvoud

kaars

laars

Meervoud

kaarsen

laarzen

Slide 13 - Tekstslide

Meervoud op -en
stoel - stoelen
boom - bomen (klinkerweglating)
sok - sokken (medeklinkerverdubbeling)
raaf - raven (f wordt v) | fotograaf - fotografen (uitzondering)
huis - huizen (s wordt z) | plaats - plaatsen (uitzondering)
blik - blikken (klemtoon op ik)
perzik - perziken (klemtoon niet op ik)

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Link

Programma: oefenen voor de toets
-Laatste letter d/t
-Meervouden
-Woordsoorten: Lidwoorden en zelfstandig naamwoorden.
- Zinsdelen: Onderwerp en persoonsvorm.



Slide 17 - Tekstslide

Meervoud van:
boef
A
boefen
B
boeven
C
boefs

Slide 18 - Quizvraag

Meervoud van:
haar
A
haren
B
haaren

Slide 19 - Quizvraag

Meervoud van:
blik
A
bliken
B
blikken
C
bliks

Slide 20 - Quizvraag

Meervoud van:
datum
A
data
B
datums
C
data/datums

Slide 21 - Quizvraag

Meervoud van:
technicus
A
technicussen
B
technicuss
C
technicus's
D
technici

Slide 22 - Quizvraag

Wat zijn de lidwoorden? 

Slide 23 - Tekstslide

Wat zijn de lidwoorden? 
D

Slide 24 - Tekstslide

(on)bepaald lidwoord
Een bepaald lidwoord zegt eigenlijk zelf al wat het is: Het bepaalt iets. Bepaalde lidwoorden in het Nederlands zijn: het en de.
Bijvoorbeeld: De kat is buiten. Dan heb je het over de kat die je kent en niet over het begrip kat in het algemeen.

Een onbepaald lidwoord zegt eigenlijk zelf al wat het is: Het bepaalt niet iets. Onbepaald lidwoord in het Nederlands is: een
Als je het wilt hebben over iets algemeners, dan gebruik je een onbepaald lidwoord. 
Bijvoorbeeld: Een kat loopt buiten. Dan kan je vragen: Welke kat? Onze kat? De kat van de buren? Een vreemde kat?

Slide 25 - Tekstslide

Een lidwoord hoort bij een...? 

Slide 26 - Tekstslide

Zelfstandig naamwoord
1. Een zelfstandig naamwoord heeft meestal een enkelvoud en een meervoud. de school, de scholen
2. Van een zelfstandig naamwoord kan je vaak verkleinwoord maken. school-schooltje
3. Voor een zelfstandig naamwoord kan je meestal een lidwoord zetten. De school.

Slide 27 - Tekstslide

Programma: oefenen voor de toets
-Laatste letter d/t
-Meervouden
-Woordsoorten: Lidwoorden en zelfstandig naamwoorden.
- Zinsdelen: Onderwerp en persoonsvorm.



Slide 28 - Tekstslide

Onderwerp en persoonsvorm

Slide 29 - Tekstslide

Onderwerp 
De man zingt een lied. Degene die zingt is het onderwerp. 

HULPJE: Wie zingt? De man

De docent legt uit wat het onderwerp is in de zin. 

HULPJE: Wie legt uit? De docent


Slide 30 - Tekstslide

Slide 31 - Tekstslide

Slide 32 - Tekstslide

Onderwerp en persoonsvorm
De man zingt een lied. Degene die zingt is het onderwerp. 

HULPJE: Wie zingtDe man

De docent legt uit wat het onderwerp is in de zin. 

HULPJE: Wie legt uit? De docent


Slide 33 - Tekstslide

Onderwerp en persoonsvorm
De man zingt een lied. 


Slide 34 - Tekstslide

Onderwerp en persoonsvorm
De man zingt een lied. Wie zingt? Degenen die zingt is het onderwerp. 

Het onderwerp is verbonden aan de persoonsvorm. (check: De man zong een lied. De mannen zingen een lied.)


Slide 35 - Tekstslide

Onderwerp en persoonsvorm
De grote hond blaft de hele dag.  


Slide 36 - Tekstslide

Onderwerp en persoonsvorm
De grote hond blaft de hele dag.  Wie/ wat blaft? Het dier dat blaft is het onderwerp. 

Het onderwerp is verbonden aan de persoonsvorm. (check: De grote hond blafte de hele dag. De grote honden blaffen de hele dag.)


Slide 37 - Tekstslide

Onderwerp en persoonsvorm
Mijn nieuwe koptelefoon is op de grond gevallen.  

Slide 38 - Tekstslide

Onderwerp en persoonsvorm
Mijn nieuwe koptelefoon is op de grond gevallen.  Wat is gevallen? Hetgeen is gevallen is het onderwerp. 

Het onderwerp is verbonden aan de persoonsvorm. (check: Mijn nieuwe koptelefoon was op de grond gevallen,. Mijn nieuwe koptelefoons zijn op de grond gevallen.)


Slide 39 - Tekstslide

Onthouden!
Het onderwerp en de persoonsvorm horen bij elkaar!!!!

Je vindt de pv door de tijd te veranderen:
Hij is blij. Hij was blij. 
Je vindt de pv door het aantal (het onderwerp) te veranderen:
Hij is blij. Wij zijn blij. 

Je vindt het onderwerp door te vragen: 
Wie plus persoonsvorm. 
Hij is blij. Wie is blij? Hij    Hij is het onderwerp!!!!

Slide 40 - Tekstslide

werkwoorden: zelfstandige ww en hulpww
Er zijn zelfstandige werkwoorden en hulpwerkwoorden.
Een zelfstandig werkwoord is een werkwoord met een betekenis. Ik fiets. Ik werk. Ik gooi

Er zijn ook hulpwerkwoorden. Ik heb gefietst. Ik zal je helpen.
Ik ben jong.  Ik kan je niet horen. 

Slide 41 - Tekstslide

Programma: oefenen voor de toets
-Laatste letter d/t
-Meervouden
-Woordsoorten: Lidwoorden en zelfstandig naamwoorden.
- Zinsdelen: Onderwerp en persoonsvorm.



Slide 42 - Tekstslide

Na de les...
...begrijp ik de verlengproef 


...weet ik hoe ik meervouden moet spellen. 


....begrijp ik de Woordsoorten: Lidwoord en zelfstandig naamwoord.

...begrijp ik de Zinsdelen: Persoonsvorm en onderwerp.

Slide 43 - Tekstslide

Fijne dag!!!

Slide 44 - Tekstslide

Slide 45 - Tekstslide