Extra kijk- en luisteropdracht (DISK overtuigen)

Goedemorgen!
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo lwooLeerjaar 1

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Goedemorgen!

Slide 1 - Tekstslide

Overtuigen

Slide 2 - Tekstslide

Overtuigen
Je wil iemand beïnvloeden om te zorgen dat hij jouw mening, idee of voorstel overneemt. 

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Video

Als je iemand wil overtuigen, is het belangrijk dat.....
A
je oogcontact maakt
B
je iemand niet aankijkt
C
D
je hard schreeuwt

Slide 5 - Quizvraag

non-verbaal betekent
A
veel woorden gebruiken
B
geen woorden gebruiken

Slide 6 - Quizvraag

handgebaren gebruiken is een voorbeeld van
non-verbaal
A
ja
B
nee

Slide 7 - Quizvraag

Zinnen om iemand te overtuigen zijn:
''Deze telefoon is een aanrader!''
''Deze stofzuiger moet je ook gaan gebruiken!''
''Ik vind het heel belangrijk dat je vaker gaat sporten!''
"Hard rijden is gevaarlijk, dat moet je niet doen!''

Slide 8 - Tekstslide

Woorden om iemand te overtuigen zijn:
Fantastisch, Geweldig, Mooi, Belangrijk, Leuk, Tof, Gaaf, Super, Lekker, Heerlijk, Nuttig, Saai, Lelijk, Gevaarlijk, Stom 
etc .etc.
Het kunnen dus ook negatieve woorden zijn.

Slide 9 - Tekstslide

Fantastisch, Geweldig, Mooi, Belangrijk, Leuk, Tof, Gaaf, Super, Lekker, Heerlijk, Lelijk, Saai, Gevaarlijk, Stom
Dit zijn bijvoeglijk naamwoorden.
Een woord dat iets zegt over het zelfstandig naamwoord.

Slide 10 - Tekstslide

Schrijf 2 woorden in je eigen taal waarmee je iemand kunt overtuigen. Dit mogen ook bijvoeglijk naamwoorden zijn.

Slide 11 - Open vraag

Wat gebruikt/doet zij om de anderen te overtuigen?

Slide 12 - Open vraag

monotoon praten betekent
A
veel verschillende tonen gebruiken in je stem
B
op 1 toon praten

Slide 13 - Quizvraag

door monotoon te praten kun je iemand goed overtuigen
A
nee
B
ja

Slide 14 - Quizvraag

Wat vind jij?
A
deze vrouw komt overtuigend over
B
deze vrouw komt niet overtuigend over

Slide 15 - Quizvraag

Argument
Een bewijsmiddel, reden dat je gebruikt om iets/een mening te bewijzen, sterker te maken of te ontkrachten. 
Ontkrachten betekent: het niet eens zijn met een mening of standpunt van een ander en hier redenen/argumenten voor geven.

Slide 16 - Tekstslide

Ik ben het daar niet mee eens omdat.......
Je moet dit ook kopen omdat......

Slide 17 - Tekstslide

Geef een argument waarom gezond eten belangrijk is.

Slide 18 - Open vraag

Geef een argument waarom school belangrijk is.

Slide 19 - Open vraag

Opdracht
We maken 4 groepjes van 3-4 personen.
Ieder groepje krijgt 5 letters.
Bij deze letters zoeken jullie 1 woord dat overtuigend is.  Dit zal vaak een bijvoeglijk naamwoord zijn.  Jullie maken daarna zinnen met de woorden.
Duur: ongeveer 20 minuten. 


Slide 20 - Tekstslide

Daarna: de zinnen overtuigend presenteren. 
Jullie presenteren de zinnen op overtuigende wijze aan de klas.
De klas observeert op welke manier jullie overtuigend overkomen en geeft feedback.
Duur: ongeveer 15 min.

Slide 21 - Tekstslide