Herhaling repetitie

Bijles voor de repetitie!
1 / 52
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 52 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Bijles voor de repetitie!

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Programma
- Tussenletters herhalen
- Aan elkaar of los?
- PV in samengestelde zinnen

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de correcte spelling?
A
vissekom
B
vissenkom

Slide 3 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de correcte spelling?
A
verdachteverhoor
B
verdachtenverhoor

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Tussenletters in samenstellingen
Schrijf -(e)n als...
- het eerste deel van de samenstelling een zelfstandig naamwoord is dat alleen een meervoud op -n of -en heeft

Voorbeelden
bananenschil, paardensport, bloemenvaas 

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de correcte spelling?
A
aspergesbed
B
aspergenbed
C
aspergebed

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Tussenletters in samenstellingen
Schrijf géén tussen-n (en dus wel -e) als het eerste deel van de samenstelling alleen een meervoud op -s heeft

Voorbeelden
etages -> etagewoning, asperges -> aspergebed

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de correcte spelling?
A
groentensoep
B
groentesoep

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de correcte spelling?
A
aktetas
B
aktentas

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Tussenletters in samenstellingen
Schrijf géén tussen-n (en dus wel -e) als het eerste deel van de samenstelling een meervoud op -s EN -en heeft

Voorbeelden
lindes/linden -> lindebloesem
gemeentes/gemeenten -> gemeenteraad
groenten/groentes -> groentesoep

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de correcte spelling?
A
rijstepap
B
rijstenpap

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Tussenletters in samenstellingen
Schrijf géén tussen-n (en dus wel -e) als het eerste deel van de samenstelling geen meervoud heeft

Voorbeelden
roggebrood, ereplaats

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de correcte spelling?
A
spinnenwiel
B
spinnewiel

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Tussenletters in samenstellingen
Schrijf géén tussen-n (en dus wel -e) als het eerste deel van de samenstelling geen zelfstandig naamwoord is

Voorbeelden
hogeschool, knarsetanden, spinnewiel, rodekool, huilebalk

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de correcte spelling?
A
zonnebank
B
zonnenbank

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Tussenletters in samenstellingen
Schrijf géén tussen-n (en dus wel -e) als het eerste deel van de samenstelling een unieke persoon of zaak is

Voorbeelden
zonnecel, maneschijn, Koninginnedag

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de correcte spelling?
A
apentrots
B
apetrots

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Tussenletters in samenstellingen
Schrijf géén tussen-n (en dus wel -e) als het eerste deel van de samenstelling de betekenis van het tweede deel versterkt

Voorbeelden
reuzeleuk, retespannend, apetrots

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de correcte spelling?
A
schattenbout
B
schattebout

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Tussenletters in samenstellingen
Schrijf géén tussen-n (en dus wel -e) als het woord niet (meer) herkenbaar is als samenstelling

Voorbeelden
spillebeen, schattebout

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de correcte spelling?
A
reddingschip
B
reddingsschip

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Tussenletters in samenstellingen
Schrijf -s als:
- je die klank hoort
- als het tweede woorddeel met een sisklank begint, kun je de klank niet horen. Vervang het tweede woorddeel dan, zodat je hoort of je een tussen-n moet schrijven

Voorbeeld: stationsplein, dus ook stationsstraat

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de juiste samenstelling?
A
bruidsluier
B
bruidssluier

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de juiste samenstelling?
A
kwaliteitsslag
B
kwaliteitslag

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Paragraaf 6

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Samenstelling van niet meer dan .... delen kun je aan elkaar schrijven.
A
2
B
3
C
4
D
5

Slide 27 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het verschil?
bruine bonensoep - bruinebonensoep

Slide 28 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de juiste spelling?
A
wereld godsdienst
B
wereldgodsdienst
C
wereldsgodsdienst
D
wereld-godsdienst

Slide 29 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de juiste spelling?
A
lente dagen
B
lentedagen
C
lentendagen
D
lente-dagen

Slide 30 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de juiste spelling?
A
goede grap
B
goedengrap
C
goedegrap
D
goede-grap

Slide 31 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de juiste spelling?
A
onderwijs inspectie
B
onderwijsinspectie
C
onderwijs-inspectie
D
onderwijssinspectie

Slide 32 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de juiste spelling?
A
laag opgeleide
B
laag-opgeleide
C
laagopgeleide
D
laagsopgeleide

Slide 34 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de juiste spelling?
A
daar voor
B
daarvoor

Slide 35 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de juiste spelling?
A
blinde darm ontsteking
B
blindedarm ontsteking
C
blinde darmontsteking
D
blindedarmontsteking

Slide 36 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de juiste spelling?
A
wind dicht hardloop jack
B
winddicht hardloopjack
C
winddichthardloopjack
D
wind-dicht-hardloop-jack

Slide 37 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat kan je vertellen over een persoonsvorm in een zin?

Slide 38 - Woordweb

De persoonsvorm is een vorm van het werkwoord. Het is de werkwoordsvorm die hoort bij het onderwerp van de zin.

De persoonsvorm is de vervoegde vorm van het werkwoord. De persoonsvorm past zich aan aan het onderwerp van de zin.

Aan de persoonsvorm is ook te zien in welke tijd de zin staat: tegenwoordige, toekomende of verleden tijd.

Wat zijn voegwoorden ook al weer?

Slide 39 - Woordweb

Voegwoorden zijn verbindingswoorden. Ze verbinden twee of meer stukken van een zin of hele zinnen met elkaar, maar maken daar zelf geen deel van uit. Een voegwoord verbindt vaak twee zinnen aan elkaar, in veel gevallen gaat het om een hoofdzin en een bijzin.

Voegwoorden kunnen nevenschikkend en onderschikkend zijn. Nevenschikkende voegwoorden leggen een verband tussen twee hoofdzinnen, zinsdelen, woorden of woordgroepen, onderschikkende voegwoorden leggen een verband tussen een hoofdzin en een bijzin.

Alle kinderen vinden de persoonsvorm in deze zin.
De persoonsvorm is:
A
kinderen
B
vinden
C
persoonsvorm
D
deze

Slide 40 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de persoonsvorm?
Waarom wandelt Kees de avondvierdaagse?
A
Waarom
B
Er is geen persoonsvorm.
C
wandelt

Slide 41 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de persoonsvorm?
Gisteren heb ik een hamburger gegeten, voordat ik naar de film ging.
A
Heb
B
gegeten
C
ging
D
voordat

Slide 42 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Twee soorten zinnen
  • Enkelvoudige zin (1 pv):
  • De docent roept de leerlingen.
  • De leerlingen stoppen met praten.

  • Samengestelde zin (meer dan 1 pv):
  • De docent roept de leerlingen en de leerlingen stoppen met praten.

Slide 43 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De PV in samengestelde zinnen
- Probeer alle werkwoorden van tijd te veranderen
- De werkwoorden waarbij dit niet kan zijn infinitief, voltooid deelwoord of onvoltooid deelwoord.

Slide 44 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorbeeldzinnen
- De gemeenteraad heeft besloten dat de kleine dorpsschool wordt opgeheven als het leerlingenaantal nog verder zal teruglopen. 

De werkwoorden heeft, wordt en zal kun je van tijd veranderen. 
besloten (vd), opgeheven (vd) en teruglopen (inf) kun je niet van tijd veranderen. 

Slide 45 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Noteer de juiste vorm van de persoonsvorm:

Het sportshirt (zitten) nog in mijn tas, maar ik (zullen) het zo in de wasmachine stoppen.

Slide 46 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Noteer de juiste vorm van de persoonsvorm:

Toen de brandweer (arriveren), (takelen) de brandweerlieden de vrachtwagen snel uit de sloot.

Slide 47 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Noteer de juiste vorm van de persoonsvorm:

De president van Rusland (komen) volgende week naar Nederland en dan (ontmoeten) hij onze koning.

Slide 48 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Noteer de juiste vorm van de persoonsvorm:

Gisteren (repareren) de fietsenmaker mijn fiets, maar nu (zijn) de ketting alweer kapot.

Slide 49 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Noteer de juiste vorm van de persoonsvorm:

Deze DJ (draaien) altijd veel jaren 80-hits, omdat grofweg alle luisteraars dat leuk (vinden).

Slide 50 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Noteer de juiste vorm van de persoonsvorm:

Kaylan (ontvangen) nu geen sms'jes, want zijn mobiel (zijn) kapot.

Slide 51 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Volgende les
Donderdag 14.30
Programma: Oefentoets over 5/6/12 en 14!

Slide 52 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies