Lesson 4 Unit 5

Leave everything in your bag!
1 / 43
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolmavo, havoLeerjaar 1

In deze les zitten 43 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 80 min

Onderdelen in deze les

Leave everything in your bag!

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

  • Taking the register
  • Learning goals
  • Video
  • What do you need?



  • Let's get to work
  • Exit ticket
  • Game time
  • Homework


Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide


Leerdoel 1: Je kunt het onderwerp bepalen van een filmpje.

Leerdoel 2: Je kunt belangrijke informatie verstaan en onderscheiden in korte opgenomen passages over voorspelbare alledaagse zaken.

Leerdoel 3: Je weet wanneer hoe plurals maakt en gebruikt.

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Tekstslide

        iPad
   Workbook 
          B
   Notebook
 Pen + pencil
   Earphones

Slide 7 - Tekstslide


How do you feel today?

Slide 8 - Poll


exercise 26+27, page 66+67, workbook B

Slide 9 - Tekstslide

Exercise 26, page 66+67
  • 1. We train on the sports field every Tuesday and Thursday. 
           We have a match on the sports field every Saturday.
           We have a volleyball tournament at the gym every year.
  • 2. Mail mike435@home.uk for more information.
          Call Mike for more information. His number is: 07438 659954.
  • 3. Did anybody see my Adidas trainers?
           Did anybody see my boots?
           Did anybody see my jacket after the dance classes?
  • 4. I think they were on the floor.
           I think they were in the changing room.
           I think my bag was under the bench on the sports field.
  • 5. The shoes are red, size 6 / 39.
           They are brand new.
           My sportswear is blue and brand new.
  • 6. The weather was perfect.
            The weather was terrible.

Slide 10 - Tekstslide

Exercise 27, page 67
  • 1. The tournament is on September 27th from 2 pm to 5.30 pm.
  • 2. Everyone can take part.
  • 3. The frisbee classes are a great success.
  • 4. When can you come and practise?
  • 5. What is your mobile number?
  • 6. I danced really well.
  • 7. How do I get to the sports field?

Slide 11 - Tekstslide

past simple - to be

Slide 12 - Tekstslide

  •  I / he / she / it > ... was ...
  •  you / we / they > ... were ...
to be - past simple
zijn - verleden tijd
  • I / he / she / it > Was  ...?
  • you / we / they > Were ...?
 
  • I / he / she / it > ... wasn't ...
  • you / we / they > ... weren't ...

Slide 13 - Tekstslide

past simple

Slide 14 - Tekstslide

past simple
verleden tijd
  • afgelopen
  • je weet wanneer
  • werkwoord + ed
  • Did + werkwoord (geen +ed)
  • didn't + werkwoord (geen +ed)
  • WALDY: When / Ago / Last ... / Days/ Dates / Year / Yesterday
bevestigen / vragen / ontkennen

Slide 15 - Tekstslide

plural

Slide 16 - Tekstslide


  • meervouden
  • meer dan één

  • zelfstandig naamwoord  > +s
  • one car > ten cars
  • one teacher > nine teachers
plural
meervoud

  • Zelfstandig naamwoord met s-klank > +es
  • s-klank = -s/-sh/-ch/-x/-z
  • one box > four boxes 
  • one quiz > eight quizzes

  • Zelfstandig naamwoord met -o > +es
  • one hero > eleven heroes
  • one tomato > six tomatoes

  • Zelfstandig naamwoord met mede klinker-y > -ies
  • one city > three cities
  • one baby > two babies

  • zelfstandig naamwoord met -f > ves
  • one wolf > seven wolves
  • one knife > four knives

  • altijd enkelvoud
  • hair / sheep / fish / etc.
  • altijd meervoud
  • trousers / glasses / scissors / etc.

  • onregelmatige meervouden
  • man > men / child > children / person > people
  • tooth > teeth / foot > feet / mouse > mice

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide


  • meervouden
  • meer dan één

  • zelfstandig naamwoord  > +s
  • one car > ten cars
  • one teacher > nine teachers
plural
meervoud

  • Zelfstandig naamwoord met s-klank > +es
  • s-klank = -s/-sh/-ch/-x/-z
  • one box > four boxes 
  • one quiz > eight quizzes

  • Zelfstandig naamwoord met -o > +es
  • one hero > eleven heroes
  • one tomato > six tomatoes

  • Zelfstandig naamwoord met mede klinker-y > -ies
  • one city > three cities
  • one baby > two babies

  • zelfstandig naamwoord met -f > ves
  • one wolf > seven wolves
  • one knife > four knives

  • altijd enkelvoud
  • hair / sheep / fish / etc.
  • altijd meervoud
  • trousers / glasses / scissors / etc.

  • onregelmatige meervouden
  • man > men / child > children / person > people
  • tooth > teeth / foot > feet / mouse > mice

Slide 19 - Tekstslide


Scan: Ultimate Frisbee, page 50+51, workbook B

          

Do: Exercise 4, page 52, workbook B           

Study: plurals
Read: On the bulletin board, page 61, workbook B
Do: Exercise 23+24, page 64+65, workbook B
timer
5:00

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide

  • 1. trainers
  • 2. shoes
  • 3. teams
  • 4. classes
  • 5. styles
  • 6. beginners
  • 7. dancers
  • 8. feet
  • 1. players
  • 2. dancers
  • 3. bellies
  • 4. towels
  • 5. shoelaces
  • 6. countries
  • 7. referees
  • 8. tournaments
  • 9. children
  • 10. thieves
Exercise 23+24, page 64

Slide 22 - Tekstslide

vocabulary 5.3

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Tekstslide


Scan: Ultimate Frisbee, page 50+51, workbook B

          

Do: Exercise 4, page 52, workbook B           

Study: vocabulary 5.3
Do: Exercise 36+37, page 72+73, workbook B
timer
5:00

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Tekstslide

  • 1. public
  • 2. mountain
  • 3. row
  • 4. owner
  • 5. backwards
  • 6. bottle
  • 7. mile
  • 8. stairs
  • 9. arrived
  • 10. finals
  • 1. runner / climbed
  • 2. mountain
  • 3. alone
  • 4. greeted / celebrated
  • 5. proud
  • 6. public sale
  • 7. surprising
Exercise 36+37, page 72+73

Slide 29 - Tekstslide


Scan: Ultimate Frisbee, page 50+51, workbook B

          

Do: Exercise 4, page 52, workbook B           

Listen: The rules
Do: Exercise 44, page 79, workbook B

Slide 30 - Tekstslide

Slide 31 - Tekstslide

Exercise 44, page 79

  • 1.  Hij was te laat bij gym.
  • 2. Zijn broer speelt het en hij praat er altijd over.
  • 3. elf
  • 4. Vier keer vijftien minuten.
  • 5. de quarterback
  • 6. Nee, Simon praat te snel en Brian kan zijn uitleg niet volgen.

Slide 32 - Tekstslide


Scan: Ultimate Frisbee, page 50+51, workbook B

          

Do: Exercise 4, page 52, workbook B           

Watch: They see me rollin'
Do: Exercise 38+39, page 73+74, workbook B

Slide 33 - Tekstslide

Slide 34 - Tekstslide

Exercise 38, page 73
  • 1. Zij heeft twee benen gebroken.
  • 2. Susie gaat wel naar school. Ze wordt met een taxi gebracht en gehaald.
  • 3a. Spel 1: een speler mag/kan niet lopen, de ander kan/mag niet zijn armen gebruiken.
  • 3b. Spel 2: een speler mag/kan niet lopen, de ander kan/mag niet kijken.
  • 4. Skateboarden, hij heeft een skateboard bij zich.

Slide 35 - Tekstslide

Exercise 39, page 74
  • 1. Rod and Susie
  • 2. Rod and Susie
  • Nee: Rod heeft ook een punt gescored maar kon dit niet zien. Eigenlijk heeft niemand gewonnen, het staat 1–1.

Slide 36 - Tekstslide




What did you learn today?

Slide 37 - Open vraag

Slide 38 - Tekstslide


- vocab 5.1+5.2+5.3
- phrases writing
- to be - past simple      
- past simple (+ / ? / -)
- plural

Slide 39 - Tekstslide

      Wait for            Push your chair         Throw away
      the bell             under your desk          your litter
Thanks for your attention

Slide 40 - Tekstslide

1. Wat is een belangrijk onderdeel van het Britse leven?
2. Waar leren de meeste Britse kinderen sporten?
3. Wat zijn enkele populaire sporten in het Verenigd Koninkrijk?
4. Welke sport is het meest populair in het Verenigd Koninkrijk?
5. Wat zijn enkele bekende Britse voetbalteams?
6. In welke competitie strijden de beste voetbalteams?
7. Waar wordt de finale van de Football Association Cup gespeeld?
8. Hoeveel spelers zitten er in een cricket team?
9. Wat is de sport van koningen en waar is het populair?
10. Wat is de nationale sport van Wales en noem 2 regels?

Slide 41 - Tekstslide

Slide 42 - Video

1. Wat is een belangrijk onderdeel van het Britse leven?
2. Waar leren de meeste Britse kinderen sporten?
3. Noem 3 populaire sporten in het Verenigd Koninkrijk?
4. Welke sport is het meest populair in het Verenigd Koninkrijk?
5. Noem 3 bekende Britse voetbalteams?
6. In welke competitie strijden de beste voetbalteams?
7. Waar wordt de finale van de Football Association Cup gespeeld?
8. Hoeveel spelers zitten er in een cricket team?
9. Wat is de sport van koningen?
10. Wat is de nationale sport van Wales en noem 2 regels?

  1. sport
  2. school
  3. Tennis, voetbal rugby, cricket, paardrijden, golf, and Highland games
  4. voetbal
  5. Manchester United, Liverpool, Chelsea en Arsenal
  6. Premier League
  • 7. Wembley Stadium in Londen
  • 8. 11 spelers
  • 9. Paardenraces
  • 10. Rugby, naar voren gooien is verboden, je mag de bal alleen dragen of schoppen.

Slide 43 - Tekstslide