M 3 Met of zonder n?

Spelling T3
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo, mavoLeerjaar 1-3

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Spelling T3

Slide 1 - Tekstslide

Planning
H6: koppelteken en trema: 
> diploma- uitreiking , ex - vriend,  auto - ongeluk, 
14 -  jarige,  minister - president
> geëist, beëindigen  
H7: Met of zonder n? 
> Als een telwoord (bijv. velen) verwijst naar persoon: Velen zijn..
> Als het bijvoeglijk nw is, zonder n: vele kinderen. 

Slide 2 - Tekstslide

Koppelteken of trema
In sommige woorden schrijf je een koppelteken of trema, om te voorkomen dat je een woord verkeerd uitspreekt. 

stageuren - stage-uren of reunie - reünie   

Slide 3 - Tekstslide

Zo gebruik je een koppelteken
Je schrijft een koppelteken tussen twee delen van een samenstelling: 
  1.  Als de samenstelling verkeerd uitgesproken zou worden: radio-omroep, montage-instructie
  2. In aardrijkskundige aanduidingen en afleidingen: Zuid- Afrika, Noord-Brabantse 
  3. Voor of na een hoofdletter: Henk-Jan, X-benen
  4. Na een cijfer,  letter, afkorting of symbool: 3-jarig, ABC-eilanden, $-teken
  5. In de woorden met de voorvoegsels bijna-, collega-, ex-, interim-, leerling-, niet-, non-, oud-; ex-vriend, oud-collega
  6. In samenstellingen van twee gelijke woorden: minister-president

Slide 4 - Tekstslide

Trema (ë, ï, ö) kort samengevat

In sommige woorden schrijf je een trema. Je voorkomt zo dat je een woord verkeerd uitspreekt.

Het trema maakt duidelijk dat het om twee klinkers gaat,

en niet om één klank.


poëzie / beëindigen / reünie/ geëist 

Slide 5 - Tekstslide

Trema of geen trema?
A
egoisme
B
egoïsme

Slide 6 - Quizvraag

Trema of geen trema?
A
ingredienten
B
ingrediënten

Slide 7 - Quizvraag

Trema of geen trema?
A
melodiën
B
melodieën

Slide 8 - Quizvraag

Koppelteken
Welk woord moet niet met een koppelteken?
A
ex-voetballer
B
ijsco-man
C
tosti-ijzer
D
make-up

Slide 9 - Quizvraag

kies de juiste spelling van 33:
A
drieëndertig
B
drie en dertig
C
drie-en-dertig

Slide 10 - Quizvraag

Koppelteken of geen koppelteken?
A
Zuidamerikaans
B
Zuid-Amerikaans
C
Zuid Amerikaans

Slide 11 - Quizvraag

Koppelteken of geen koppelteken?
A
dvd collectie
B
dvd-collectie

Slide 12 - Quizvraag

Koppelteken of geen koppelteken?
A
minijurk
B
mini-jurk

Slide 13 - Quizvraag

Koppelteken of geen koppelteken?
A
18 jarige
B
18-jarige

Slide 14 - Quizvraag

DOEL


- je weet wanneer je zelfstandig gebruikte telwoorden en bijvoeglijke naamwoorden op een -n eindigen. 
Met of zonder n?

Slide 15 - Tekstslide

Wat zijn telwoorden?

Slide 16 - Woordweb

Theorie H7: 
Zelfstandig gebruikte telwoorden: bijvoorbeeld:
In de snackbar stonden velen te wachten op hun bestelling

Zelfstandig gebruikt telwoord schrijf je met -n als: 
1. Het een persoon aanduidt; 
vb. Allen waren uitgenodigd, maar sommigen zijn vanwege het slechte weer thuis gebleven. 


Slide 17 - Tekstslide

Als telwoorden geen personen aanduiden of niet-zelfstandig maar bijvoeglijk gebruikt worden, schrijf je ze zonder -n;

vb. Enkele van de voorgestelde oplossingen bleken niet uitvoerbaar (geen personen, maar oplossingen) 
vb. Vroeger hadden alle huisvrouwen een koffiemolen. (niet-zelfstandig) 

Slide 18 - Tekstslide

Wanneer hebben zelfstandig gebruikte telwoorden een -n?
Als we woorden als sommige, enkele enzovoorts tegenkomen, is niet altijd meteen duidelijk of er een -n achter moet. Daarom stellen we ons de volgende twee vragen:

1. Gaat het om personen?
2. Is het telwoord zelfstandig gebruikt?

Als het antwoord op beide vragen 'ja' is, zetten we er een -n achter.

Slide 19 - Tekstslide

Uitzondering: 
Telwoorden als tientallen, honderden, (tien)duizenden en miljoenen hebben ALTIJD een -n

Slide 20 - Tekstslide

Sommige/Sommigen leerlingen leren nooit voor een s.o.
A
sommige
B
sommigen

Slide 21 - Quizvraag

Op Texel zag ik veel verschillende vogels; wel honderde/honderden.
A
honderde
B
honderden

Slide 22 - Quizvraag

Van alle leerlingen hebben vele/velen een voldoende gehaald voor hun toets.
A
vele
B
velen

Slide 23 - Quizvraag

Die broers maken altijd ruzie en meestal hebben ze beide/beiden schuld
A
beide
B
beiden

Slide 24 - Quizvraag

De kippen waren alle/allen ontsnapt.
A
alle
B
allen

Slide 25 - Quizvraag

Anita had twee foto's gemaakt. Ze zijn beide/beiden mislukt.
A
beide
B
beiden

Slide 26 - Quizvraag

Zij kwamen als eersten over de finish. Eersten verwijst hier naar meerdere personen.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 27 - Quizvraag

Waar zijn je boeken gebleven? Heb je ze allen via Marktplaats verkocht? Alle wordt hier zelfstandig (niet bijvoeglijk) gebruikt, dus schrijf je allen in een plaats van alle.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 28 - Quizvraag

In het rek bij de toonbank zocht Ilse nog enkele armbandjes uit; ze koos de goedkoopsten. Je schrijft goedkoopsten met een -n, omdat het naar meerdere exemplaren verwijst.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 29 - Quizvraag

De twee favorieten presteerden beide boven verwachting. Deze zin is correct.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 30 - Quizvraag

Aan de slag!
H6, blz. 203: opdracht 4 maken

H7, blz. 204: opdracht 1,2 en 4 maken

Volgende 2 lessen:
- H13
- Oefentoets 
 
timer
3:00

Slide 31 - Tekstslide