4V PW H2 versie A

Wat weet je tot nu toe...? Hoofdstuk 2 Klimaatvraagstukken V4
1 / 40
volgende
Slide 1: Tekstslide
AardrijkskundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

In deze les zitten 40 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Wat weet je tot nu toe...? Hoofdstuk 2 Klimaatvraagstukken V4

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 2 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Het Carboon lag in de geologische tijdschaal tussen ...
A
het Perm en Trias
B
het Trias en Jura
C
het Devoon en Perm
D
het Siluur en Devoon

Slide 3 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Zoutsteen fungeert als....... voor aardgas uit het Carboon
A
moedergesteente
B
reservoirgesteente
C
(af)dekgesteente

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Veel fossiele brandstoffen ontstonden in het Carboon, want ...
A
onder tropische omstandigheden groeiden veel planten
B
de woestijnomstandigheden zorgden voor veel sedimentatie
C
de botsing van platen zorgde voor het omhoog komen van magma
D
het continentaal plat lag toen niet onder water

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

In het Carboon zijn veel planten- en bomenresten niet vergaan, maar zijn ze steeds dieper in de ondergrond komen te liggen. Door een toename van de druk en de temperatuur werden het water en de gassen eruit geperst, waardoor het gehalte aan koolstof toenam.

Welk proces wordt hier beschreven?
A
Inklinking
B
Inkoling
C
Indamping
D
Veenvorming

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Tijdens het Perm zaten de continenten aan elkaar, daardoor was het binnenland
A
oerwoud
B
woestijn
C
Pangea

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Tijdens het Perm lag Nederland ...
A
het zuidelijk halfrond.
B
rond de evenaar.
C
30 graden noorderbreedte.
D
op de plek waar nu de Atlantische oceaan is.

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Zandsteen uit het Perm fungeert als ..... gesteente voor aardgas
A
moedergesteente
B
reservoirgesteente
C
afdekkingsgesteente

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

In het Perm lagen
continenten op de
polen -> vorming ijskappen.
Dit is een voorbeeld van:
A
Sturende factor
B
Conditionele factor
C
Terugkoppelings-mechanisme
D
X-factor

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Pangea was in het
A
Precambrium
B
Perm
C
Krijt
D
Kwartair

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Het Krijt loop van ... tot ... miljoen jaar geleden
A
290 tot 250
B
140 tot 65
C
2,5 tot 0,01
D
4600 tot 550

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Na het Perm begon Pangea uit elkaar te vallen, dit ging gepaard met veel vulkanisme.
Leg uit welk effect dit had op de zeespiegel.

Slide 13 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

In het Krijt (broeikasaarde) was het co2 gehalte in de lucht ...
A
even hoog
B
5x zoveel
C
40x zoveel
D
100x zoveel

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Het Perm wordt ook wel Woestijnaarde genoemd, verklaar de aanwezigheid van veel grote woestijnen in dit tijdvak

Slide 15 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Door een meteorietinslag op de grens van Krijt en Tertiair kwam er een abrupt einde aan de broeikasaarde
A
Juist
B
Onjuist

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De meteorietinslag waardoor de Dinosauriërs uitstierven is een voorbeeld van ...
A
interne variabiliteit
B
externe variabiliteit

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat zijn de drie variabelen van Milankovitch?

Slide 18 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

a. Wat houdt een grotere scheefstelling van de aardas in voor de verschillen tussen zomer en winter op het noordelijk halfrond? (1p)

Slide 19 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

b. Waarom is een grotere scheefstelling van de aardas ongunstig voor het ontstaan van een ijstijd? (1p)

Slide 20 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

In het Pleistoceen hadden we te maken met ....?
A
lage zeespiegel
B
hoge zeespiegel

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

4Vak1 Proefwerk Hoofdstuk 2 - Klimaat
  • Deze toets bestaat uit 13 vragen over de toetsstof. 
  • Voor deze toets is een atlas nodig. Een paar atlaskaarten zijn in deze LessonUp gezet. Je kunt de kaarten en figuren vergroten door erop te klikken. Door op dit plaatje te klikken zie je het nummer van de kaart in GB54 (oude atlas). 
  • De volgorde van de toetsvragen en de schrijfopdracht is willekeurig.
  • Na het invoeren van een antwoord kun je niet terug naar een vorige vraag.
  • Er zijn verschillende versies van deze toets met verschillende onderwerpen per vraag.


En dan staat hier welk kaartnummer je in de 54e editie van de Grote Bosatlas (GB54) je kunt gebruiken.

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke maatregel om de uitstoot van koolstofdioxide terug te dringen werkt alleen op korte termijn?
A
het gebruik van biobrandstoffen
B
kernenergie
C
windenergie
D
zonne-energie

Slide 23 - Quizvraag

I
Het klimaat verandert niet alleen door een toename van de concentratie broeikasgassen in de atmosfeer, maar ook door veranderingen in landgebruik. Welke van de onderstaande effecten is niet of nauwelijks het gevolg van veranderingen in landgebruik?
A
een toename van de concentratie koolstofdioxide in de atmosfeer
B
een toename van de concentratie waterdamp in de atmosfeer
C
een toename van de hoeveelheid aerosolen in de atmosfeer
D
een toename van de terugkaatsing van zonlicht

Slide 24 - Quizvraag

I
Wat verklaart meestal de droge zomer in een Cs-klimaat?
A
De hoogteligging: gebieden met een Cs-klimaat liggen in de regenschaduw van een bergkam.
B
Het opschuiven van de intertropische convergentiezone richting de evenaar.
C
Het opschuiven van hogedrukgebieden naar het noorden.
D
Het type oppervlak: gebieden meteen Cs-klimaat liggen aan zee.

Slide 25 - Quizvraag

I
Gebruik de kaart. Uit welke richting waait de wind ’s zomers in Accra (Ghana)?
A
Noord-oosten
B
Noord-westen
C
Zuid-oosten
D
Zuid-westen

Slide 26 - Quizvraag

I
Klimaatverandering in oostelijk Zuid-Afrika
  • 4 vragen over deze regio
  • Figuren zijn toegevoegd
  • Sommige vragen zijn eerst in grotere letters te lezen. Daarna volgt de dia die je kunt invullen.

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

In de Zuid-Afrikaanse stad Durban valt de meeste regen in de zomer. Dit vocht wordt dan aangevoerd door een zuidoosten wind van zee.
Leg met behulp van de begrippen lagedrukgebied en passaat uit waardoor de overheersende windrichting ’s zomers in Durban zuidoostelijk is. Je uitleg moet een oorzaak-gevolgrelatie bevatten. (hierna invullen)

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

In de Zuid-Afrikaanse stad Durban valt de meeste regen in de zomer. Dit vocht wordt dan aangevoerd door een zuidoosten wind van zee.
Leg met behulp van de begrippen lagedrukgebied en passaat uit waardoor de overheersende windrichting ’s zomers in Durban zuidoostelijk is. Je uitleg moet een oorzaak-gevolgrelatie bevatten.

Slide 29 - Open vraag

In de zomer van het zuidelijk halfrond schuift het lagedrukgebied van de tropen naar het zuiden (oorzaak, 1 punt);
waardoor de zuidoosten passaat naar het zuiden zakt en ter hoogte van Durban gaat waaien (gevolg, 1 punt).


Nodig voor de volgende vraag

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Achter Durban liggen de Drakensbergen. Beredeneer hoe de droge winter in de Drakensbergen leidt tot de in figuur 1 zichtbare savannevegetatie.

Slide 31 - Open vraag

De droge winter zorgt ervoor dat planten dan weinig vocht kunnen opnemen. Blijkbaar is er ’s winters zo weinig vocht beschikbaar dat maar een beperkt aantal bomen kunnen overleven. 
Veranderingen in landgebruik hebben invloed op de neerslag in zuidelijk Afrika.
Leg uit waarom ontbossing leidt tot een afname in de neerslag.

Slide 32 - Open vraag

Bossen houden veel vocht vast, dat overdag kan verdampen om in de namiddag als regen te vallen. Minder bos leidt tot minder verdamping en dus minder regen.
Gebruik figuur 2 en de atlas.
Voor de kust van oostelijk Zuid-Afrika loopt de Agulhasstroom. Deze zeestroom heeft grote invloed op de neerslag in Durban. 

Beredeneer welke invloed veranderingen in de Agulhasstroom hebben op de neerslag in de omgeving van Durban.

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Gebruik figuur 2 en de atlas.
Voor de kust van oostelijk Zuid-Afrika loopt de Agulhasstroom. Deze zeestroom heeft grote invloed op de neerslag in Durban.
Beredeneer welke invloed veranderingen in de Agulhasstroom hebben op de neerslag in de omgeving van Durban.

Slide 35 - Open vraag

Door opwarming van de warme zeestroom zal er meer water verdampen (1 punt);
waardoor de neerslag in de omgeving van Durban zal toenemen (1 punt).

Gebruik de atlas. Qingdao in China en Harare in Zimbabwe kennen allebei een Cw-klimaat. Toch zijn er grote verschillen in temperatuurverloop tijdens het jaar en tijdens een etmaal (24 uur). Leg dit uit.

Slide 36 - Open vraag

T2

- Harare kent minder grote verschillen in temperatuur tussen zomer en winter dan Qingdao, omdat het dicht bij de evenaar ligt.
- Harare kent een groter verschil in temperatuur tussen dag en nacht, omdat het verder landinwaarts en hoger ligt dan Qingdao, waardoor het ’s nachts harder afkoelt.

Gebruik de atlas GB55 71B. Tijdens de laatste ijstijd, zo’n 15 000 jaar geleden, waren de ijskappen van Oost-Siberië veel minder groot dan die van Europa.
Geef hiervoor een verklaring.
GB54: 73B

Slide 37 - Open vraag

T2

Oost-Siberië is veel droger dan Europa, omdat de wind op deze breedte hoofdzakelijk uit het zuidwesten komt. Voor Europa betekent dat zeewind, voor Oost-Siberië landwind.
Gebruik figuur 1. In deze figuur wordt een terugkoppelingsmechanisme weergegeven dat in werking treedt bij het ontstaan van een ijstijd. Beredeneer of dit terugkoppelingsmechanisme heden ten dage in omgekeerde richting kan plaatsvinden.

Slide 38 - Open vraag

T2

Ja, het terugkoppelingsmechanisme werkt nu andersom. Door mondiale opwarming neemt de hoeveelheid bos toe ten koste van de toendra, waardoor het albedo van de aarde daalt en de opwarming wordt versterkt.
Gebruik figuur 3 en de atlas. Geef een verklaring voor het ontbreken van neerslag op de Zuidpool.

Slide 39 - Open vraag

T1

Het is zo koud dat de lucht alleen ’s zomers een heel klein beetje vocht kan vasthouden, maar dat is bijna altijd te weinig om voor neerslag te zorgen.
Gebruik de atlas GB55 kaart 198-199. Geef een verklaring voor de grote klimaatverschillen in het westen van de Verenigde Staten.
GB54: 186-187
A
Poolwinden komen diep landinwaarts
B
Verschuiving van de ITCZ in de zomer
C
De afwisseling van El Niño en La Niña maken het klimaat instabiel
D
Gebergtes creëren regenschaduw en temperatuurverschillen op kleine afstand.

Slide 40 - Quizvraag

T1