(verleden tijd) De legendarische voetballer ....... (geven) commentaar op de wedstrijd van het Nederlands elftal; zijn woorden ....... (klinken) logisch.
A
geefden, klonken
B
gaven, klonk
C
gaven, klonken
D
gaf, klonken
Slide 12 - Quizvraag
In Afrika
Wij ...... (weten) iets unieks te filmen: een luipaard die een leeuw ..... (opvreten).
A
wisten, opvreetten
B
wisten, opvrat
C
wistten, opvreten
D
wist, opvraten
Slide 13 - Quizvraag
Aan het werk
Opdracht 1 t/m 6
Let op soms moet je ook zwakke werkwoorden ('t kofschip x) gebruiken.