Observeren

Schooldoelen
Je legt in je eigen woorden uit wat observeren is. Je legt uit wat een open en gesloten observatie is.
Je legt uit wat een participerende en niet participerende observatie is.
Je legt uit wat een gestructureerde en ongestructureerde observatie is. 
Je legt uit wat objectief en subjectief observeren is.
Je legt uit welke factoren een observator beïnvloeden.
Je werkt drie verslagen uit van momenten waarin je kinderen tijdens betekenisvolle speel- werkmomenten hebt geobserveerd. Dit doe je uitgebreid, feitelijk en objectief.
Je legt daarbij uit welke vorm van observatie je hebt toegepast. 
Je legt uit hoe vaak en op welke manier de totale ontwikkeling van een kind gemonitord wordt.
Je laat voorbeelden van registraties zien en legt uit waar naar gekeken wordt. 
1 / 25
volgende
Slide 1: Tekstslide
Pedagogisch werkMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 25 slides, met tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Schooldoelen
Je legt in je eigen woorden uit wat observeren is. Je legt uit wat een open en gesloten observatie is.
Je legt uit wat een participerende en niet participerende observatie is.
Je legt uit wat een gestructureerde en ongestructureerde observatie is. 
Je legt uit wat objectief en subjectief observeren is.
Je legt uit welke factoren een observator beïnvloeden.
Je werkt drie verslagen uit van momenten waarin je kinderen tijdens betekenisvolle speel- werkmomenten hebt geobserveerd. Dit doe je uitgebreid, feitelijk en objectief.
Je legt daarbij uit welke vorm van observatie je hebt toegepast. 
Je legt uit hoe vaak en op welke manier de totale ontwikkeling van een kind gemonitord wordt.
Je laat voorbeelden van registraties zien en legt uit waar naar gekeken wordt. 

Slide 1 - Tekstslide

Schooldoelen
Wat moet je doen? 
Je observeert een kind op vijf verschillende momenten. Dit doe je bijvoorbeeld tijdens speel-werkmomenten. Je gebruikt hierbij de observatiemethode die bij jou op stage wordt ingezet.(Bijv. Kijk) Deze observaties lever je in. Je maakt hierbij een verslag waarin je de punten beschrijft die in de schooldoelen worden benoemd. De observaties en de verslagen lever je in.
Dit koppel je aan de BPV opdracht. Tijdens de les van BGER oefen je hiermee.

Tijdens de les van BGER ga je aan de slag met de verschillende soorten observaties.
Let op: In je verslag wil ik bij elk schooldoel dat je beantwoordt, ook de bron terugzien waar je de informatie vandaan hebt.


Slide 2 - Tekstslide

Waar of niet waar?

Slide 3 - Tekstslide

Observeren doe je subjectief

Slide 4 - Tekstslide

Als je observeert grijp je niet direct in

Slide 5 - Tekstslide

Waarnemen en observeren zijn twee verschillende dingen

Slide 6 - Tekstslide

Bij een open observatie zijn er geen vooraf vastgestelde criteria

Slide 7 - Tekstslide

Bij een participerende observatie observeer je afstandelijk

Slide 8 - Tekstslide

Objectief observeren gaat over feiten

Slide 9 - Tekstslide

Bij observeren is het onmogelijk om helemaal objectief te blijven.

Slide 10 - Tekstslide

Interpretatie is een belangrijk onderdeel van observeren.

Slide 11 - Tekstslide

Bij participerende observatie beïnvloed je onbewust het gedrag van het kind.

Slide 12 - Tekstslide

Waarnemen of observeren?
Waarnemen = onbewust         Observeren= bewust
Waarnemen= zonder doel            Observeren= doelgericht
                                                                Observeren=systematisch
                                                             Observeren= objectief



Slide 13 - Tekstslide

Wat is observeren?

- Vorm van waarnemen
- Kijken naar gedrag van een kind
- Observeren doe je objectief (zonder oordeel)
- Je trekt nog geen conclusies

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Video

Waarom observeren?

Slide 16 - Tekstslide

Waarom observeren?
- Ontwikkeling van een kind volgen
- Zowel in het onderwijs als in de kinderopvang
- Je leert een kind nog beter kennen
- Weten waarom een kind zich op een bepaalde manier gedraagt.
- Informatie verzamelen om een kind goed te kunnen begeleiden



Slide 17 - Tekstslide

Soorten observatie
Open observatie : doel en situatie bekend, al het gedrag opschrijven wat je ziet.

Gesloten observatie : bekend welk gedrag  je gaat observeren bijvoorbeeld dmv turflijst



Slide 18 - Tekstslide

Observatiemethoden 
participerende observatie: zelf onderdeel van observatie
niet-participerende observatie: je bent toeschouwer

ongestructureerde observatie: geen regels over observatie en manier van opschrijven, geen plan of schema's .
gestructureerde observatie: vooraf opgestelde regels, schema's, lijsten, manier van opschrijven bekend.

Slide 19 - Tekstslide

Hoe observeer je?
1. Wat is de reden van de observatie?
- Kind beter leren kennen/begrijpen
- Probleem onderzoeken
- Goed beeld krijgen van een situatie
2. Gegevens van een kind 
3. Doel: Met welk doel wil je observeren? Eén doel of vraag per observatie.

Slide 20 - Tekstslide

Hoe observeer je?
4. Hoe ga je observeren: Welke methode? Welke middelen heb je nodig?
5. Observatiesituaties: situatie, tijd, plaats, datum
6. Resultaten: Met wie bespreek je de resultaten? Op welke manier? Wat ga je met de resultaten doen?


Slide 21 - Tekstslide

Wat kan jou als observator beinvloeden?
  • eigen mening
  • emotionele betrokkenheid
  • Halo-effect (als je een lln. sympathiek vindt, kan dit invloed hebben)
  • Horn- effect (tegenovergesteld van Halo-effect)
  • vooroordeel
  • ervaring
 
  • projectie (je ziet eigenschappen van jezelf in een lln.)
  • eigen referentiekader
  • stemming
  • selectieve waarneming (je ziet wat je wil zien)
  • stereotypering
  • Hawthorne effect (als een kind weet dat het wordt geobserveerd , kan dat van invloed zijn op het gedrag)

Slide 22 - Tekstslide

Opdracht:
Bekijk het filmpje.
Observeer de leidster dmv een gesloten, gestructureerde observatie.
Observatievraag: Op welke manier reageert de leidster verbaal en non-verbaal? Schrijf dit objectief op.

Wat heb je opgeschreven?

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Video

Een buiten observatie
Je gaat straks naar buiten om te observeren.
Bedenk een observatiedoel en schrijf dit op.
Ga naar buiten en zoek een plek waar je gaat zitten om te observeren. 
Dit mag in tweetallen.
Je observeert 10 minuten. (zet een timer)
Kijk daarna naar je doel en schrijf je conclusie op.

Slide 25 - Tekstslide