Wat gebeurt er met de gemiddelde omloopsnelheid van het geld als het goed gaat met de economie?
A
De omloopsnelheid blijft gelijk
B
De omloopsnelheid stijgt
C
De omloopsnelheid daalt
Slide 3 - Quizvraag
Op welke manier kan de centrale bank de geldhoeveelheid vergroten?
Slide 4 - Open vraag
Taken centrale bank
Monetair beleid
Controlerende functie (financiële sector: beheren veel geld)
Solide door risico's
Integriteit van bestuurder
Uitgave van bankbiljetten (ECB/ controle echtheid
Externe reserves (vertrouwen: goed en internationale valuta)
Slide 5 - Tekstslide
Waaruit bestaat de financiële sector?
Slide 6 - Woordweb
Prijsstabiliteit
Inflatie en deflatie kent iedereen natuurlijk wel;
Uitgangspunt is het CPI (gewogen prijsindex);
Hyperinflatie is niet best; Zimbabwe had in 2008 2.2miljoen procent;
Er zijn verschillende vormen van inflatie/deflatie:
Bestedingsinflatie
Kosteninflatie
Slide 7 - Tekstslide
Noem drie redenen waarom de ECB de inflatie rond de 2% wil houden.
Slide 8 - Open vraag
Monetair beleid
Centrale banken staan hierin centraal;
Geldmarkt
De geldmarkt bestaat uit korte kredieten;
De centrale banken hebben een spilfunctie op de geldmarkt;
Zero lower bound aka nul ondergrens;
Slide 9 - Tekstslide
Monetair beleid
Kapitaalmarkt
De centrale banken hebben hier geen directe invloed op de rente;
Openmarkt politiek -> centrale bank komt zelf op de markt;
Kwantitatieve verruiming.
Er is een verschil tussen de ECB en de Fed.
Slide 10 - Tekstslide
Waarom heeft de ECB wel invloed op de geldmarkt rente maar niet op die van de kapitaalmarkt?
A
Omdat de ECB geen kapitaal kan aantrekken
B
Omdat de rentes van de kapitaal markt altijd vast staan
C
De ECB kan alleen de rente van de geldmarkt beïnvloeden
Slide 11 - Quizvraag
Welke gevolgen heeft de lage rentestand voor de geldmarkt?
Slide 12 - Open vraag
Verkeersvergelijking van Fisher
M x V = P x T
M: maatschappelijke geldhoeveelheid
V: omloopsnelheid
P: nationaal prijsniveau
T: omvang van transacties
Slide 13 - Tekstslide
Verkeersvergelijking van Fisher
M x V = P x Yr
M: maatschappelijke geldhoeveelheid
V: omloopsnelheid
P x Yr = het nominale bbp
Slide 14 - Tekstslide
Nederland heeft een nominaal bbp van € 812 miljard. De maatschappelijke geldhoeveelheid in Nederland is € 340 miljard. Wat is de omloopsnelheid in Nederland?
Slide 15 - Open vraag
Verkeersvergelijking van Fisher
Nederland heeft een nominaal bbp van € 812 miljard. De maatschappelijke geldhoeveelheid in Nederland is € 340 miljard. Wat is de omloopsnelheid in Nederland?
Berekening:
340 x V = 812
812/340=2,4
Slide 16 - Tekstslide
Verkeersvergelijking
Productiecapaciteit wordt volledig benut
Omloopsnelheid is constant
M x V = P x Yr
Toename van geldhoeveelheid leidt tot toename van prijsniveau
Slide 17 - Tekstslide
Stelling: Als het prijspeil stijgt, neemt het BBP reëel toe.
A
Juist
B
Onjuist
Slide 18 - Quizvraag
Terugblik
De studenten weten aan het einde van de les uitleggen wat motieven kunnen zijn om geld op te potten dan wel uit te geven en kunnen de overige taken van de centrale banken benoemen.
De student kent de verkeersvergelijking van Fisher en kan deze toepassen.
De student kan verklaren waarom geld op de lange termijn neutraal is (aan de hand van de verkeersvergelijking van Fisher)de student kan verklaren waarom geld op de lange termijn neutraal is (aan de hand van de verkeersvergelijking van Fisher).
Na deze les is het duidelijk voor de student hoe je voor prijsstabiliteit kan zorgen in een economie.
Na deze les kan de student uitleggen wat voor gevolgen rente heeft op de geld- en kapitaal markt.