herhaling H6

herhaling H6
1 / 38
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 3

In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

herhaling H6

Slide 1 - Tekstslide

6. Productie en markt
6.1 Produceren maar!

Slide 2 - Tekstslide

6.1 Produceren maar!
  • Ik kan de productiefactoren herkennen in een voorbeeld.
  • Ik kan het verband uitleggen tussen loon en toegevoegde waarde.
  • Ik kan de toegevoegde waarde die een bedrijf realiseert, berekenen.
  • Ik kan voorbeelden van productie onderscheiden in arbeidsintensief en kapitaalsintensief.


Slide 3 - Tekstslide

6.1 Produceren maar!
Productiefactoren
Om te produceren zijn altijd vier productiefactoren nodig:
  • kapitaal(goederen)
  • arbeid
  • natuur 
  • ondernemerschap
Leerdoel
Ik kan voorbeelden geven van de 4 productiefactoren.

Slide 4 - Tekstslide

Een schilder behoort tot de productiefactor
A
Natuur
B
Arbeid
C
Kapitaal
D
Ondernemerschap

Slide 5 - Quizvraag

6.1 Produceren maar!
Bedrijfskolom
Bedrijfskolom
Alle bedrijven die meewerken aan een product.

Toegevoegde waarde
Door elke bewerking wordt het product meer waard.
(loonkosten + andere bedrijfskosten + winst)

Slide 6 - Tekstslide

Wat is de toegevoegde waarde van de meelfabriek?
A
6500 euro
B
2500 euro
C
4000 euro
D
9000 euro

Slide 7 - Quizvraag

Bedrijfskolom
Chocoladefabriek
Supermarkt
Importeur
Cacaoplantage
Groothandel

Slide 8 - Sleepvraag

6.1 Produceren maar!
Kapitaalintensief of arbeidsintensief
Productie is:
  • Kapitaalintensief als er meer kapitaalgoederen dan arbeiders gebruikt worden
  • Arbeidsintensief als er meer arbeiders dan kapitaalgoederen gebruikt worden

Slide 9 - Tekstslide

Het schilderen van een huis is ...
A
kapitaalintensief
B
arbeidsintensief

Slide 10 - Quizvraag

De productie van auto's is:
A
Kapitaalintensief
B
Arbeidsintensief

Slide 11 - Quizvraag

Slide 12 - Tekstslide

Opgave 4 blz 161

Slide 13 - Tekstslide

Hoofdstuk 6
6.2 Het gaat om de winst

Slide 14 - Tekstslide

  • Omzet
  • Inkoopwaarde -
  • Brutowinst
  • Overige / bedrijfskosten -
  • Nettoresultaat


afzet x verkoopprijs
O
afzet x inkoopprijs
I
Andere kosten dan inkoopkosten (bijv. huur-, loon- en reclamekosten)
O
Let op! Dit kan nettwinst of nettoverlies zijn
N
B
6.2. Het gaat om de winst!                      

Slide 15 - Tekstslide

Voorbeeldsom

Van een winkel zijn over 2016 de volgende gegevens bekend:

-afzet 3000 stuks.
-Gemiddelde inkoopprijs per stuk is € 35,-
-Gemiddelde verkoopprijs per stuk is € 75,-
-Loonkosten waren € 30.000,-
-Overige kosten € 25.000


Vraag:

Bereken de bruto- en nettowinst! (ALTIJD EXLCUSIEF BTW!)







Slide 16 - Tekstslide

UITWERKING

3000 x 75,-          =  € 225.000,- 

3000 x 35,-          =  € 105.000,-     -

BRUTOWINST     =  € 120.000,- 

Bedrijfskosten  =  €   55.000,-      -

NETTOWINST     =  €   65.000,-

Slide 17 - Tekstslide

6.2 Het gaat om de winst!                                                     
Een ondernemer wil winst maken...
  • verschil tussen inkoopprijs en verkoopprijs is zijn brutowinst (= winst + bedrijfskosten)
  • brutowinst als percentage van de inkoopprijs is brutowinstmarge

Slide 18 - Tekstslide

Van inkoopprijs tot concsumentenprijs

Inkoopprijs

brutowinstmarge         +

 verkoopprijs


verkoopprijs

btw                                        +

consumentenprijs

Slide 19 - Tekstslide

6 Productie en markt
6.3 Op de markt

Slide 20 - Tekstslide

6.3 Op de markt
  • Ik kan met een voorbeeld het verschil uitleggen tussen een concrete en abstracte markt.
  • Ik kan uitleggen wat het effect is van een prijswijziging voor vraag en aanbod.
  • Ik kan de evenwichtsprijs en evenwichtshoeveelheid aflezen uit een grafiek.
  • Ik kan de aanpassing van een vraag- en/of aanbodlijn tekenen op een grafiek. 
  • Ik kan het marktaandeel van een bedrijf bereken.

Slide 21 - Tekstslide

6.3 Op de markt
Soorten markten
Er bestaan 2 soorten markten:
  • Een concrete markt is een plaats waar op bepaalde tijden goederen verhandeld worden.
      (vb. winkels, rommelmarkt, ...) 
  • Met een abstracte markt bedoelen we alle vraag en aanbod van een product.
      (vb. aandelenmarkt, woningmarkt, ...)

Slide 22 - Tekstslide

Dit jaar was een uitzonderlijk goed jaar voor de perenoogst.

Wat zal er gebeuren met de prijs van peren?
A
Doordat er zoveel peren zijn, kunnen boeren een hogere prijs vragen.
B
Doordat er zoveel peren zijn, moeten boeren hun prijs verlagen.

Slide 23 - Quizvraag

Als de prijs van een product stijgt...
A
Dan stijgt het aanbod, maar daalt de vraag.
B
Dan stijgt het aanbod en de vraag.
C
Dan daalt het aanbod, maar stijgt de vraag.
D
Dan daalt het aanbod en de vraag.

Slide 24 - Quizvraag

6.3 Op de markt
Wet van vraag en aanbod
Op elke markt is er sprake van vraag en aanbod.
  • Als een prijs daalt, dan daalt het aanbod, maar stijgt de vraag.
  • Als een prijs stijgt, dan stijgt het aanbod, maar daalt de vraag.

Slide 25 - Tekstslide

6.3 Op de markt
Wet van vraag en aanbod
Op elke markt is er sprake van vraag en aanbod.
  • Als een prijs daalt, dan daalt het aanbod, maar stijgt de vraag.
  • Als een prijs stijgt, dan stijgt het aanbod, maar daalt de vraag.

Wanneer er precies evenveel vraag als aanbod is, dan is de evenwichtsprijs en evenwichtshoeveelheid bereikt.

Slide 26 - Tekstslide

6.3 Op de markt
Marktaandeel
Het marktaandeel van een bedrijf is:
  • De afzet in procenten van de totale afzet.
  • De omzet in procenten van de totale omzet.

Slide 27 - Tekstslide

6. Productie en markt
6.4 Meer of minder productie?

Slide 28 - Tekstslide

6.4 Meer of minder productie?
  • Ik kan voorbeelden van productiekosten onderverdelen in                         vaste en variabele kosten.
  • Ik kan 3 factoren opsommen die de productiecapaciteit                                     van een bedrijf bepalen.
  • Ik kan de arbeidsprodctiviteit berekenen.
  • Ik kan 5 verschillende voorstellen doen om de                 arbeidsproductiviteit te verbeteren.

Slide 29 - Tekstslide

6.4 Meer of minder productie?
Soorten kosten
Er bestaan 2 soorten productiekosten:
  • Vaste kosten:
      Kosten die gelijk blijven, of je nu meer of minder produceert.
  • Variabele kosten
      Kosten die mee veranderen als je meer of minder produceert.

Slide 30 - Tekstslide

Vaste en variabele kosten
Vaste kosten
  • huisvesting
  • rentekosten
  • personeelskosten vaste medewerkers
  • afschrijving
Variabele kosten
  • materialen zoals verf, hout
  • energie
  • personeel uitzendkracht

Slide 31 - Tekstslide

6.4 Meer of minder productie?
Productiecapaciteit
De maximale productie die een bedrijf aankan, noemen we de productiecapaciteit:
word bepaald door:
  • Aantal mensen dat in het bedrijf werkt.
  • Aantal uren dat werknemers werken.
  • Hoeveelheid machines

Slide 32 - Tekstslide

6.4 Meer of minder productie?
       Arbeidsproductiviteit
  • De arbeidsproductiviteit is de hoeveelheid producten die een werknemer kan maken in een bepaalde tijd.
  • Hoe hoger de arbeidsproductiviteit, hoe lager de productiekosten.



Slide 33 - Tekstslide

Slide 34 - Tekstslide

6.4 Meer of minder productie?
Arbeidsproductiviteit
De arbeidsproductiviteit kan je verhogen door:
  • nieuwe technologie
  • goede arbeidsverdeling
  • scholing
  • prestatieloon
  • betere arbeidsomstandigheden



Slide 35 - Tekstslide

Maatschappelijke opbrengsten
Maatschappelijke opbrengsten = alle voordelen die de samenleving heeft van een hogere productie bij bedrijven
Meer welvaart!
(meer behoeften bevredigen)

Slide 36 - Tekstslide

Maatschappelijke kosten
Maatschappelijke kosten = alle nadelen die de samenleving heeft van een hogere productie bij bedrijven

Slide 37 - Tekstslide

Slide 38 - Tekstslide