Week 6, les 2, 1mh

Welkom bij 
1 / 18
volgende
Slide 1: Tekstslide

In deze les zitten 18 slides, met tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Welkom bij 

Slide 1 - Tekstslide

Wat gaan we doen?
  • leerdoel bespreken
  • theorie zinsdelen Persoonsvorm 
  • opdracht maken

Slide 2 - Tekstslide

Na deze les
Aan het eind van deze les:

  • kun je een persoonsvorm in de zin vinden
  • kun je zinnen verdelen in zinsdelen

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Video

Persoonsvorm
Werkwoorden

In elke zin staan werkwoorden. Een werkwoord (ww) zegt wat iets of iemand doet of overkomt. Bijvoorbeeld: zijn, hebben, slapen, fietsen, wandelen, eten, reizen, maken, vliegen.



Je kunt een werkwoord vervoegen:
    ik ……
    jij/u …….
    hij/zij ……..
    wij ……..

Slide 5 - Tekstslide

Hoe vind je een persoonsvorm (pv)?
In een zin staat altijd eee persoonsvorm. Een persoonsvorm kun je op twee manieren vinden.

1. 
Zet de zin in een andere tijd.  Het woord dat verandert is de persoonsvorm.

Kim kan goed zwemmen.
Kim kon goed zwemmen.
          
   pv ----> kan

Slide 6 - Tekstslide

Hoe vind je een persoonsvorm (pv)? 
2.
Maak van de zin een vraagzin. het woord dat vooraan komt te staan is de persoonsvorm.

Piet kookt graag pasta.
Kookt Piet graag pasta?
            
pv ----=> kookt

De persoonsvorm is altijd een werkwoord, de persoonsvorm is altijd één woord.

Slide 7 - Tekstslide

Zet de zin in een andere tijd en noteer de persoonsvorm.

1. Van hun ouders mochten zij niet te laat thuiskomen.
  Van hun ouders mogen zij niet te laat thuiskomen.
 pv = mochten

2. Op welke website kan ik dat vinden?
 Op welke website kon ik dat vinden?
 pv = kan

3. Ik doe morgen mijn nieuwe spijkerbroek aan.
 Ik deed (morgen) mijn nieuwe spijkerbroek aan.
 pv = doe

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Samen aan de slag
Cursus 5 Grammatica
§ 2 ZD Persoonsvorm en zinsdelen
Opdracht 1, 2.1 en 3.1

Slide 10 - Tekstslide

Zinsdelen
  •   Zinnen zijn gemaakt van zinsdelen. Een zinsdeel kan bestaan uit één
   woord, maar ook uit een groepje woorden die bij elkaar horen.

  •   Voor de persoonsvorm staat nooit meer dan één zinsdeel.

  •   Je vindt de zinsdelen door de zinsdeelproef te doen: je verandert
   een paar keer de volgorde van de zin. Wanneer je één woord of een
   groepje woorden voor de persoonsvorm kunt zetten, is dat een
   zinsdeel, net als de persoonsvorm zelf.


Slide 11 - Tekstslide

Zinsdelen, hoe dan?
Hoe doe je dat nou?
  1. Zoek de persoonsvorm. Zet hiervoor en hierachter een streepje.
 Dit weekend | gaan | we naar de Efteling.
   
 2.Kijk welke delen van de zin voor de persoonsvorm kunnen. Verander een paar keer de                volgorde van de zin. Welke stukjes van de zin moeten altijd bij elkaar blijven?
We | gaan | dit weekend | naar de Efteling.
Naar de Efteling| gaan | we | dit weekend.
Gaan | we | dit weekend | naar de Efteling?
Dit weekend | gaan | we | naar de Efteling.





Slide 12 - Tekstslide

Zet schuine strepen tussen de zinsdelen


1.Onze klas heeft een actie voor een goed doel georganiseerd.
 Onze klas | heeft | een actie | voor een goed doel | georganiseerd.

2. Waarom verwijderde de politie alle verkeerd gestalde fietsen?
 Waarom | verwijderde | de politie | alle verkeerd gestalde fietsen?


Slide 13 - Tekstslide

Zelf aan de slag
Cursus 5 Grammatica
§ 2 ZD Persoonsvorm en zinsdelen
Opdracht 2.2 t/m 2.3  en 3.2 t/m 3.3

Klaar?

Dan opdracht 4

Slide 14 - Tekstslide

Aan de slag

Slide 15 - Tekstslide

Vragen?
Zijn er nog vragen over deze les?

Slide 16 - Tekstslide

Je weet nu

Slide 17 - Tekstslide

Einde les
Huiswerk:
Cursus 5 Grammatica
§ 2 ZD Persoonsvorm en zinsdelen
Opdracht 2.2 t/m 2.3 en 3.2 t/m 3.3
Klaar?
Dan opdracht 4

Slide 18 - Tekstslide