3.4 rekenen met twee variabelen

3.4 Rekenen met twee variabelen

3.12 Ik kan een variabele vrijmaken uit een lineaire vergelijking
3.13 Ik kan vergelijkingen met twee variabelen toepassen
1 / 12
volgende
Slide 1: Tekstslide
wiskundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 12 slides, met interactieve quiz en tekstslides.

time-iconLesduur is: 25 min

Onderdelen in deze les

3.4 Rekenen met twee variabelen

3.12 Ik kan een variabele vrijmaken uit een lineaire vergelijking
3.13 Ik kan vergelijkingen met twee variabelen toepassen

Slide 1 - Tekstslide

Vergelijking met twee variabelen
Een projectontwikkelaar wil op een stuk grond van 7500 m2 huizen gaan bouwen. Hij wil in totaal 15 huizen bouwen. 
De huizen van type A staan op een stuk grond van 450 m2 en de huizen van type B staan op een stuk grond van 600 m2

Bereken hoeveel huizen van type A en type B er moeten komen om de grond optimaal te gebruiken

Slide 2 - Tekstslide

Formules opstellen
We noemen het aantal huizen type A x en het aantal huizen van type B y
x + y = 15
De grond die gebruikt wordt is 450 keer het aantal huizen van type A en 600 keer het aantal huizen van type B. In totaal is de grond 7500 
450x + 600y = 7500

Slide 3 - Tekstslide

Formules omschrijven
x+y=15
450x+600y=7500
y=15x
600y=7500450x
y=12,50,75x

Slide 4 - Tekstslide

Formules gelijkstellen
y=15x
y=12,50,75x
15x=12,50,75x
15=12,5+0,25x
2,5=0,25x
x=10
y=1510=5

Slide 5 - Tekstslide

Vertalen naar context
x = 10 en y = 5
Dus de projectontwikkelaar laat 10 huizen van type A bouwen en 5 huizen van type B.

Slide 6 - Tekstslide

Stappenplan voor twee variabelen

1. Formules opstellen
2. Formules omschrijven naar y=
3. Formules gelijkstellen en oplossen (x én y)
4. Vertalen naar de context (geef antwoord op de vraag)

Slide 7 - Tekstslide

De buurman van Jolanda heeft een hok in de tuin met kippen en konijnen. Na tellen blijken er in het hok 108 poten rond te lopen en zijn er 39 koppen. Hoeveel konijnen en hoeveel kippen zijn er?

Slide 8 - Open vraag

Uitwerking: 1. opstellen
Noem het aantal konijnen x en het aantal kippen y.
Elk konijn en elke kip heeft één kop, dus

Elk konijn heeft 4 poten en elke kip heeft 2 poten, dus

x+y=39
4x+2y=108

Slide 9 - Tekstslide

Uitwerking: 2. omschrijven
x+y=39
4x+2y=108
y=39x
2y=1084x
y=542x

Slide 10 - Tekstslide

Uitwerking: 3. gelijkstellen en oplossen
y=39x
y=542x
39x=542x
x=15
y=3915=24

Slide 11 - Tekstslide

Uitwerking: 4. vertalen naar de context


Dus de buurman heeft 15 konijnen en 24 kippen
x=15
y=24

Slide 12 - Tekstslide