DNA Les 2: DNA de code

DNA, de code van het leven...
Brug van 4 vwo 2.5 naar vwo 6 Th. 17
1 / 15
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

In deze les zitten 15 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

Onderdelen in deze les

DNA, de code van het leven...
Brug van 4 vwo 2.5 naar vwo 6 Th. 17

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Video

DNA, de code...
Je weet al:
  • DNA bevat instructies (genen)
  • DNA bestaat uit basen (A, C, T en G), desoxiribosen en fosfaatgroepen
  • Eiwitsynthese:
DNA > mRNA > keten aminozuren > eiwit (in functionele vorm)

Slide 3 - Tekstslide

De code...
DNA: 2 complementaire strengen
DNA lees je van het 5' eind >  3' eind.
Dit geldt voor coderende streng.

Einden krijgen naam door de plek van fostaatgroep aan nucleotide. Aan fosfaatgroep kan weer een 3'eind van volgende nucleotide gekoppeld worden.


Slide 4 - Tekstslide

5

Slide 5 - Video

00:00
De code...
Van DNA wordt een transcript (kopie) gemaakt: transcriptie.

Er zijn 10 soorten RNA (BINAS 71-1).

mRNA en tRNA zijn voor nu belangrijk

Slide 6 - Tekstslide

01:27
Bewerken RNA (processing)
mRNA moet door de cel kunnen worden herkend.
Daarom krijgt het een kop en staart:
  • herkenning begin/eind
  • betere stabiliteit
  • voorkomen per ongeluk toevoegen basen
  • exit-pass voor de celkern

Deze kop en staart wordt later verwijderd. Komt later ...

Slide 7 - Tekstslide

02:05
soorten RNA
Er zijn 10 soorten RNA.
2 belangrijke voor nu, ben je tegengekomen in het filmpje:
- mRNA (messengerRNA):
instructie voor eiwit)
- tRNA, (transportRNA):
dragen aminozuur dat correspondeert met een triplet op mRNA.

Slide 8 - Tekstslide

02:05
Als een mRNA het triplet AAG heeft. Welk aminozuur hoort hierbij?
(gebruik BINAS 71G)
A
Alanine
B
Arginine
C
Asparagine
D
Lysine

Slide 9 - Quizvraag

02:05
Als een mRNA het triplet AAG heeft. Welk anti-codon moet het tRNA molecuul dan hebben?

Slide 10 - Open vraag

Oefenen met de code
  1. Volg de link op de volgende dia.
  2. Download het werkblad "Oefenen om eiwitten te maken" (link volgende dia)
  3. Vertaal de eerst DNA streng naar mRNA en bepaal welk eiwit hieruit komt.
  4. Check je oplossing via meneerspoor.nl (zie link volgende pagina)
  5. Moeilijk? : In de dia's hierna volgen wat tips.
  6. Makkelijk? : Maak 1e en 4e.
    Daarna ga je naar volgende werkblad: "Eiwitsynthese"

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Link

Het begin?
Hoe weet RNApolymerase waar het begin is?
  1. Denk eraan:
    coderende streng/RNA lees je: 5' > 3'.
    matrijsstreng: 3' > 5'
  2. Voor het gen zit een plek waar RNApolymerase kan binden aan het DNA: de TATA-box. (DNA met allen base A en T)
  3. Het daaropvolgende ATG is dan het startcodon. Later volgt als het goed is een stopcodon.

Slide 13 - Tekstslide

Welke streng is de juiste? (1)
DNA heeft 2 strengen:
De coderende streng en de niet-coderende streng.

De coderende streng bevat de code, de niet-coderende (matrijsstreng) het spiegelbeeld ervan (non-sense).

De matrijsstreng is nodig om mRNA te maken (door te spiegelen) met de juiste code.

Slide 14 - Tekstslide

Welke streng is de juiste? (2)
De coderende streng herken je aan:

  1. een TATA-box (code T A T A) aan het begin van een gen. Bedenk wel: lees coderende streng van 5' > 3', matrijsstreng van 3' > 5'.
  2. Verderop kom je als het goed is een startcodon tegen "ATG" (TAC in matrijsstreng) en later een stopcodon.
  3. Ter controle check je of je dit bij andere streng niet tegenkomt. Wel het geval? Soms kunnen beide coderend zijn.

Slide 15 - Tekstslide