4.2 Grammatica - Nevenschikking en onderschikking

Grammatica
Klas: 2VC
Datum: 13-05-2020
Nederlands
1 / 36
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 36 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Grammatica
Klas: 2VC
Datum: 13-05-2020
Nederlands

Slide 1 - Tekstslide

Volgende les:
  • Herhaling enkelvoudig en samengestelde zinnen
  • Herhaling hoofd- en bijzinnen

  • Uitleg nevenschikking en onderschikking
Deze les:

Slide 2 - Tekstslide

Volgende les:
Herhaling

Slide 3 - Tekstslide

Is de zin enkelvoudig of samengesteld?

'Ik weet dat jij gespijbeld hebt.'
A
Enkelvoudige zin
B
Samengestelde zin

Slide 4 - Quizvraag

Is de zin enkelvoudig of samengesteld?

'Alle pennen in het paarse etui zijn leeg.'
A
Enkelvoudige zin
B
Samengestelde zin

Slide 5 - Quizvraag

Mijn moeder zei dat ik als baby altijd aan het lachen was.
A
Hoofdzin-hoofdzin
B
Hoofdzin-bijzin
C
Bijzin-bijzin
D
Bijzin-hoofdzin

Slide 6 - Quizvraag

Omdat ik goed leer, haal ik hoge cijfers.
A
Hoofdzin-hoofdzin
B
Hoofdzin-bijzin
C
Bijzin-bijzin
D
Bijzin-hoofdzin

Slide 7 - Quizvraag

Volgende les:
Samengestelde zinnen bestaan vaak uit twee zinnen, maar ze kunnen ook uit drie of meer zinnen bestaan. 
Vind de drie zinnen in: 
  • We vragen of zij de discussie wil notuleren en hij de voorzitter wil zijn. 
Samengestelde zinnen

Slide 8 - Tekstslide

Volgende les:
Samengestelde zinnen bestaan vaak uit twee zinnen, maar ze kunnen ook uit drie of meer zinnen bestaan. 
Vind de drie zinnen in: 
  • We vragen of zij de discussie wil notuleren en hij de voorzitter wil zijn. 

  1. We vragen 
  2. (of) zij de discussie wil notuleren
  3. (en) hij de voorzitter wil zijn
Samengestelde zinnen

Slide 9 - Tekstslide

Volgende les:
Nevenschikking en onderschikking zijn begrippen die gebruikt worden om de relatie tussen delen van samengestelde zinnen te beschrijven.

Nevenschikking: de zinnen zijn gelijkwaardig
Onderschikking: de zinnen zijn niet gelijkwaardig
Nevenschikking en onderschikking

Slide 10 - Tekstslide

Volgende les:
Bij een nevenschikking (ns) bestaat de samengestelde zin uit (minstens) twee hoofdzinnen -> zin 1 {hz} + {hz} of uit een hoofdzin met twee bijzinnen -> zin 2 {hz + (bz) + (bz)}. 

  1. {Ik koop geen cd's}, want {ik gebruik altijd mijn iPod}. 
  2. {Weet je al (of je vanavond meegaat naar de film) of (dat je liever thuisblijft)}? 
Nevenschikking en onderschikking

Slide 11 - Tekstslide

Volgende les:
Bij een onderschikking (os) bestaat de samengestelde zin uit een hoofdzin met een bijzin erin. Bijzin kan vooraan staan (zin 1: {(bz) + hz} en achteraan in de zin -> zin 2 {hz + (bz)}. 

  1. {(Omdat ik altijd mijn iPod gebruik), koop ik geen cd's}.
  2. {ik koop geen cd's, (omdat ik altijd mijn iPod gebruik)}. 
Nevenschikking en onderschikking

Slide 12 - Tekstslide

Volgende les:
1. Sinds ze contactlenzen draagt, ziet Petra er veel leuker uit. 


Nevenschikking en onderschikking

Slide 13 - Tekstslide

Volgende les:
1. Sinds ze contactlenzen draagt, ziet Petra er veel leuker uit. 


Nevenschikking en onderschikking

Slide 14 - Tekstslide

Volgende les:
1. Sinds ze contactlenzen draagt, ziet Petra er veel leuker uit. 

{(bijzin) + hoofdzin}
Nevenschikking en onderschikking

Slide 15 - Tekstslide

Volgende les:
1. Sinds ze contactlenzen draagt, ziet Petra er veel leuker uit. 

{(bijzin) + hoofdzin} = onderschikkend (os)
Nevenschikking en onderschikking

Slide 16 - Tekstslide

Volgende les:
2. De businessclass is duur, maar je hebt er wel goede plaatsen. 
Nevenschikking en onderschikking

Slide 17 - Tekstslide

Volgende les:
2. De businessclass is duur, maar je hebt er wel goede plaatsen. 


Nevenschikking en onderschikking

Slide 18 - Tekstslide

Volgende les:
2. De businessclass is duur, maar je hebt er wel goede plaatsen. 

{hoofdzin} + {hoofdzin}
Nevenschikking en onderschikking

Slide 19 - Tekstslide

Volgende les:
2. De businessclass is duur, maar je hebt er wel goede plaatsen. 

{hoofdzin} + {hoofdzin} = nevenschikkend (ns)
Nevenschikking en onderschikking

Slide 20 - Tekstslide

Volgende les:
3. Wilt u de contactpersoon bellen, zodra u in Italië geland bent? 


Nevenschikking en onderschikking

Slide 21 - Tekstslide

Volgende les:
3. Wilt u de contactpersoon bellen, zodra u in Italië geland bent


Nevenschikking en onderschikking

Slide 22 - Tekstslide

Volgende les:
3. Wilt u de contactpersoon bellen, zodra u in Italië geland bent

{hoofdzin + (bijzin)}
Nevenschikking en onderschikking

Slide 23 - Tekstslide

Volgende les:
3. Wilt u de contactpersoon bellen, zodra u in Italië geland bent

{hoofdzin + (bijzin)} = onderschikkend (os)
Nevenschikking en onderschikking

Slide 24 - Tekstslide

Volgende les:
4. Opdat zij objectief zal rechtspreken, draagt Vrouwe Justitia een blinddoek. 


Nevenschikking en onderschikking

Slide 25 - Tekstslide

Volgende les:
4. Opdat zij objectief zal rechtspreken, draagt Vrouwe Justitia een blinddoek. 


Nevenschikking en onderschikking

Slide 26 - Tekstslide

Volgende les:
4. Opdat zij objectief zal rechtspreken, draagt Vrouwe Justitia een blinddoek. 

{(bijzin) + hoofdzin} 
Nevenschikking en onderschikking

Slide 27 - Tekstslide

Volgende les:
4. Opdat zij objectief zal rechtspreken, draagt Vrouwe Justitia een blinddoek. 

{(bijzin) + hoofdzin} = onderschikkend (os)
Nevenschikking en onderschikking

Slide 28 - Tekstslide

Volgende les:
Heb je vragen over: 
- hoofd- en bijzinnen
- Onderschikking en nevenschikking
Vragen? 

Slide 29 - Tekstslide

Hoe is de zin opgebouwd?
'Ik moest kloppen, want de bel doet het niet'
A
Hoofdzin - hoofdzin
B
Hoofdzin - bijzin
C
Bijzin - hoofdzin
D
Bijzin - bijzin

Slide 30 - Quizvraag

Is er sprake van nevenschikking of onderschikking?
'Ik moest kloppen, want de bel doet het niet'
A
Nevenschikking
B
Onderschikking

Slide 31 - Quizvraag

Hoe is de zin opgebouwd?
'Ik wil niet dat de vakantie naar Spanje niet doorgaat'
A
Hoofdzin - hoofdzin
B
Hoofdzin - bijzin
C
Bijzin - hoofdzin
D
Bijzin - bijzin

Slide 32 - Quizvraag

Is er sprake van nevenschikking of onderschikking?
'Ik wil niet dat de vakantie naar Spanje niet doorgaat'
A
Nevenschikking
B
Onderschikking

Slide 33 - Quizvraag

Beeldspraak
  1. Een vergelijking is gebaseerd op een overeenkomst (met of zonder ‘als’). De kameel is als het schip der woestijn.
  2. Bij een metafoor is alleen het beeld overgebleven. Het schip der woestijn loopt in de hitte.
  3. Bij personificatie worden menselijke eigenschappen aan een abstract begrip of iets uit de natuur toegekend. Huilende wolken

Slide 34 - Tekstslide

Vergelijking
Metafoor
Personificatie
Metonymia
Hij heeft geen dak meer boven zijn hoofd.
De bomen fluisteren zachtjes zijn naam.
Wat een zwijnenstal is het hier!
Jouw kamer lijkt wel een zwijnennstal.
We hangen die Rembrandt daar op.

Slide 35 - Sleepvraag

Eufemisme, understatement, ironie, litotes
Eufemisme: Verzachtende uitdrukking (om een pijnlijke situatie te verzachten, of om te voorkomen dat je iemand kwetst).
  • 'Een deel van het personeel zal moeten afvloeien.' of 'Hij moest zijn hond laten inslapen.'
Understatement: afzwakking die versterkt door de context (geschreven) of de toon (gesproken).
  • 'Kijk naar die dikke auto. Zij heeft wel een paar centen' (je bedoelt: 'Zij is rijk'.)
Litotes: een bijzondere vorm van een understatement. Je ontkent het tegenovergestelde.
  • Ze zijn niet arm. (Je bedoelt: Ze zijn rijk.)
Ironie milde spot. Je wilt mensen niet met opzet kwetsen. Je zegt het tegengestelde van wat je bedoelt. Je merkt aan de overdreven toon dat de spreker het niet ernstig, maar ironisch meent.

  • 'Ach, gaan jullie maar voor', zei de oude man vriendelijk, toen de jongens hem raakten toen ze hem enthousiast voorbij snelden.



Slide 36 - Tekstslide