Telefoon in de kluis? Je jas over de stoel. IPad in de tas
1 / 16
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1
In deze les zitten 16 slides, met tekstslides en 2 videos.
Lesduur is: 80 min
Onderdelen in deze les
Wat gaan we doen vandaag?
Doel van de les=trappen van vergelijking
Tien minuten stil lezen
Terugblik vorige les
Huiswerk bespreken
Start nieuw onderwerp
Aan het werk
Telefoon in de kluis? Je jas over de stoel. IPad in de tas
Slide 1 - Tekstslide
onzetaal.nl
Slide 2 - Link
Slide 3 - Video
Slide 4 - Tekstslide
Wat moeten jullie straks kennen en kunnen?
Oftewel, wat is het doel van deze les?
Na deze les weet je hoe je de trappen van vergelijking kunt gebruiken in combinatie met als en dan en het juiste persoonlijk voornaamwoord
Slide 5 - Tekstslide
In de zin Een hond is snel, een antilope is sneller en een jachtluipaard is het snelst zie je de trappen van vergelijking van het bijvoeglijk naamwoord snel:
de stellende trap: snel;
de vergrotende trap, die eindigt op er: sneller;
de overtreffende trap, die eindigt op st(e): snelst(e).
Slide 6 - Tekstslide
Ook bij andere bijvoeglijke naamwoorden komen de trappen van vergelijking voor. ( blz.240)
Slide 7 - Tekstslide
De woorden goed, graag, veel en weinig hebben een afwijkende vergrotende en overtreffende trap: goed – beter – best; graag – liever – liefst; veel – meer – meest; weinig – minder – minst.
‘… als mij’ of ‘… dan ik’?
Vaak wordt na als of dan het verkeerde persoonlijke voornaamwoord gekozen:
– *Jij bent even groot als mij. Dat is fout. Het moet zijn: Jij bent even groot als ik.
Slide 8 - Tekstslide
Om te weten welk woord je hier moet gebruiken, maak je de zin langer door hem aan te vullen met een passende persoonsvorm:
– Robin is net zo sterk als hij (is), maar sterker dan ik (ben).
– De caissière rekent sneller dan jij (rekent), maar niet zo snel als wij (rekenen).
Slide 9 - Tekstslide
Slide 10 - Video
apps.noordhoff.nl
Slide 11 - Link
Aan de slag
Slide 12 - Tekstslide
Cursus 7-§ 13-Werkwoordsvormen en wwtijden
Maakwerk is ook leerwerk. Als je de theorie niet snapt, kun je ook de opdrachten niet( goed) maken.
Staat er: markeer, omcirkel of onderstreep in de opdracht, dan mag je het MET POTLOOD in je werkboek maken.
De rest maak je in je schrift
Slide 13 - Tekstslide
Maken:
Cursus 6
§ 6 Trappen van vergelijking
blz. 240
opdr. 1 t/m 8
opdracht 5 alleen op fluistertoon,
anders maak je het alleen
Slide 14 - Tekstslide
Even checken. Wie vertelt mij nog even wat we zojuist hebben gehoord?
Geen vingers, ik geef de beurt aan ..............................................