25. Hoofdstuk 4 + kahoot n4

PLANNING VAN DEZE LES
1.  Werkwoordspelling: de drie stappen in vogelvlucht
2.  Bouwsteen 4: de theorie

Schrijfdossier: zie e-mail (nog geen cijfer) of CumLaude (je hebt een cijfer). Dit geldt enkel voor hen die het Schrijfdossier hebben geüpload. 

LESDOELEN
- je weet wat een signaalwoord is
- je weet dat een signaalwoord voorafgegaan wordt door een komma
- je (her)kent de signalen

1 / 28
next
Slide 1: Slide
NederlandsMBOStudiejaar 1

This lesson contains 28 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 120 min

Items in this lesson

PLANNING VAN DEZE LES
1.  Werkwoordspelling: de drie stappen in vogelvlucht
2.  Bouwsteen 4: de theorie

Schrijfdossier: zie e-mail (nog geen cijfer) of CumLaude (je hebt een cijfer). Dit geldt enkel voor hen die het Schrijfdossier hebben geüpload. 

LESDOELEN
- je weet wat een signaalwoord is
- je weet dat een signaalwoord voorafgegaan wordt door een komma
- je (her)kent de signalen

Slide 1 - Slide

Wat onder werkwoordspelling valt:
persoonsvorm tegenwoordige tijd:   nu fiets ik 
persoonsvorm verleden tijd:                   vroeger fietste zij
voltooid deelwoord:                                  hij heeft daar gefietst
gebiedende wijs:                                       werk ze!
bijvoeglijk naamwoord:                           de fietsende student

Slide 2 - Slide

ONTHOUDEN
(stap 1) Je zet de zin in een andere tijd om de pv te vinden. 
(stap 2) Je zoekt het hele werkwoord, het infinitief, van de pv.
(stap 3) Je haalt -en van het hele werkwoord van de pv af. Nu heb je de stam van het werkwoord. 

► Onthoud dat het Nederlands gebaseerd is op klanken
Plakken - de stam 'plakk' wordt de ik-vorm plak
Verhuizen - de stam 'verhuiz' wordt de ik-vorm verhuis
Beleven - de stam 'belev' wordt de ik-vorm beleef.
Weten - de stam 'wet' wordt de ik-vorm weet.
Kijken - de stam 'kijk' is hetzelfde als de ik-vorm: kijk.





Slide 3 - Slide

de regels van de tegenwoordige tijd
Alle werkwoorden zijn of sterk (middeleeuws) of zwak. Voor ALLE werkwoorden gelden de volgende regels in de tegenwoordige tijd:

Het onderwerp is 'ik'. ► Dan krijgt de pv de ik-vorm.
Ik luister naar de docent :)

Het onderwerp is enkelvoud, maar geen 'ik'. ► Dan krijgt de pv de ik-vorm + t
Jij luistert ook. 

Het onderwerp staat in het meervoud ► dan krijgt de pv het hele werkwoord
Wij luisteren allemaal. 

Slide 4 - Slide

De piano van de buurman (smergelen)

Slide 5 - Open question

En, of, dat, en de komma
  • Let op bij een zin met de woorden 'en', 'of', 'dat' en let ook op bij een komma. 
Het betekent dat de zin uit meer dan één zin bestaat. Een komma is een ademhalingspauze. 
- een signaalwoord heeft een komma (en een spatie) ervóór: 
'ik denk, dus ik besta'

  • Elke zin heeft een eigen persoonsvorm en een eigen onderwerp.
Zinnen met 'en', 'of', 'dat' en een komma bestaan dus uit meer dan één zin. Je moet dus vaker dan één keer werkwoordspelling toepassen op de persoonsvorm. 
'ik kwam, ik zag en ik overwon'

Slide 6 - Slide

Hij (klirren) en jullie (plurken) je ongans.

Slide 7 - Open question

DEZE LES
1. Theorie over samenhang + Kahoot
2. Evaluatie
3. Taalblokken / zelfstudie
4. Volgende week

LESDOELEN: 
- je herkent de signaalwoorden en weet dan welk tekstverband er komt
- je weet het nut van de signaalwoorden voor een tekst

Slide 8 - Slide

1. OVER SAMENHANG
We gaan terug naar Taalblokken en wel Hoofdstuk 4: samenhang. 



Slide 9 - Slide

2. THEORIE: SAMENHANG
Hoe breng je samenhang aan in jouw tekst? 
a) de tekstconventies en 
b) de signaalwoorden. Die smeden jouw tekst samen. 

Dit wordt ook een tekstverband genoemd.

Slide 10 - Slide

Het tekstverband zorgt ervoor dat woorden, zinnen en alinea's met elkaar samenhangen.

  • Hoe doen ze dat?
Door signaalwoorden. Deze geven een signaal af aan de rest van de zin. 

  • Voorbeeld:
Want, daardoor, daarom, om die reden, omdat
Dit zijn allemaal signaalwoorden die een reden aangeven. Belangrijk: je kunt ze onderling uitwisselen, omdat ze hetzelfde signaal afgeven. 

Slide 11 - Slide

SIGNAALWOORDEN

Aan een signaalwoord zie je dus met welk signaal je te maken hebt. 


Zo'n signaal noem je een tekstverband. Het legt een verband tussen zinnen. 

Slide 12 - Slide

SIGNAALWOORDEN
Je begrijpt iemand beter door de signaalwoorden. 

→ Let er dus op als je er een tegenkomt in een zin of als je het hoort!

 Op de volgende slides zie je veelvoorkomende tekstverbanden.
 Daarna een Kahoot over die tekstverbanden.


Slide 13 - Slide

TEKSTVERBANDEN

Er zijn verschillende tekstverbanden met eigen signaalwoorden. Weet je nog? 


  • de tegenstelling [ maar, hoewel ]  
  • de opsomming [ bovendien, ten eerste, ten tweede, ook, eerst...toen] 
  • de toelichting [ zo, bijvoorbeeld, zoals, op deze manier] 
  • de tijd en de volgorde daarin [ gisteren, vervolgens, vroeger, nu, toen, daarna ]  

Dan komen nu de leuke:                      

Slide 14 - Slide

a) VOORWAARDELIJK VERBAND

Een voorwaardelijk verband geeft aan onder welke voorwaarden iets gebeurt.


Signaalwoorden die daarbij horen:

- als, indien - tenzij - mits 

- als ... dan 

- in het geval dat 

op voorwaarde dat




Slide 15 - Slide

VOORBEELD voorwaardelijk verband

'Als ik vandaag mijn kamer opruim(dan) mag ik mee.'


Om mee te mogen, moet ik eerst wat doen, in dit geval mijn kamer opruimen.


  • Voorwaarde = kamer opruimen



En hoor je het verschil tussen 'Als ik thuiskom' en 'Wanneer ik thuiskom'? 

Slide 16 - Slide

b) REDENGEVEND VERBAND

Een redengevend verband geeft aan wáárom ik iets doe of vind. 


Signaalwoorden die daarbij horen: 

- want

- omdat

- daarom 

- daardoor



Slide 17 - Slide

VOORBEELD redengevend verband

'Ik had een slecht cijfer voor de toets van rekenen, want ik had er niet goed voor geleerd.'

  • De reden van het slechte cijfer is dat ik niet geleerd heb voor de toets.



Het ligt aan mijDan gebruik je redengevende signaalwoorden, zoals 

- want, omdat, daarom, daardoor

- je gebruikt 'ik' in de zin.




Slide 18 - Slide

c) OORZAKELIJK VERBAND / oorzaak-gevolg
Let op! Hier gaat het om een oorzaak waar je géén invloed op hebt. Het ligt dus aan de ander of aan iets anders. 

Signaalwoorden die daarbij horen:
- doordat 
- dankzij 
- als gevolg van 
- dat komt door
- waardoor
- zodat


Slide 19 - Slide

VOORBEELD oorzakelijk verband

'Ik trek een korte broek aan, doordat het warm is.'

  • De oorzaak van mijn kledingkeuze ligt buiten mij, want dat komt door het weer (en daar heb ik geen invloed op). 


'Ik heb een blauw oog, dankzij Willem.'
  • De oorzaak van mijn kwetsuur komt door de snelle en vooral harde vuisten van Willem. 

Slide 20 - Slide

d) CONCLUDEREND VERBAND 
Hierbij wordt een conclusie getrokken. Dat kan pas nadat je allerlei informatie hebt gekregen. Je vormt je eigen conclusie. 

Samenvatten lijkt er op, maar dan schrijf je niets nieuws. 

Signaalwoorden die bij een concluderend verband horen:
- dus, concluderend
- kortom 
- dat houdt in 



Slide 21 - Slide

VOORBEELD concluderend verband

'Kortom, het is belangrijk om te oefenen.'  


Je komt tot deze conclusie op basis van het slechte cijfer op rekenen. 


 Je kijkt naar de feiten (de informatie) en telt deze op: 

  1. het feit dat je niet hebt geleerd voor de toets 
  2. het feit dat je al helemaal niet hebt geoefend voor de toets
  3. En misschien heb je niet opgelet in de les 
  4. of je was vaker niet dan wel in de les.

Slide 22 - Slide

e) DOEL-MIDDEL
Hierbij noem je je doel en wat je daarvoor nodig hebt. Een schrijver of spreker kan het ook andersom zeggen, dus eerst het middel en daarna het doel. 
'Ik ga naar Zone om te mijn diploma te halen'; ... 'opdat ik mijn diploma haal'.

Signaalwoorden die bij een doel-middel verband horen:
- om te
- opdat
- door middel van
- daarmee
- met de bedoeling




Slide 23 - Slide

3. EVALUATIE
→ Wat is lastig? 
→ Heb je door dat je alle signaalwoorden uit één zo'n rijtje kunt gebruiken voor hetzelfde signaal? Het zijn synoniemen: ander woord; dezelfde betekenis. 

Toen... Daarna... Vervolgens... Ten slotte...

Maar... Echter... Daarentegen...Daar tegenover...


Slide 24 - Slide

OEFENEN

Op de volgende slide een Kahoot over signaalwoorden

Slide 25 - Slide

Slide 26 - Link

3F Thema | Bouwstenen H4
Leesleer 4.1 en maak alle opdrachten. De eindopdracht hoef je niet te doen.

4.2 Lezen: alle opdrachten maken, behalve 5, 6, 7, 12, 18, 20;

4.3 Schrijven: alle opdrachten maken, behalve 3, 4, 18;
4.4 Luisteren: alle opdrachten maken, behalve 3, 18, 21;
4.8 Samengevat: woordtrainer en lesstof (behalve: 'een samenhangende tekst schrijven'). Voor elke paragraaf geldt: inclusief de woordtrainer en lesstof.

Niet
Alles over de vaste tekststructuren. Ook Ik heb deze opdracht uitgevoerd mag je laten schieten. Wil je meer oefenen, dan is Versterk jezelf een goede optie.









Slide 27 - Slide

WANNEER IS DE TOETS?
Dit komt in Magister te staan. Reken op de dinsdag 25 maart voor H4, dus dat je dan de toets maakt, MITS je alle vereiste opdrachten afhebt. 

Slide 28 - Slide