Examen Nederlands - examenwoorden en stijlmiddelen

Examentaal
1 / 42
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 5

This lesson contains 42 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 25 min

Items in this lesson

Examentaal

Slide 1 - Slide

aanbeveling
A
iemand aansporen tot handelen
B
afwegen van voor- en nadelen
C
goede raad, advies
D
bedenking, tegenwerping

Slide 2 - Quiz

citeren
A
letterlijk aanhalen van een stukje tekst
B
hoofdgedachte van de tekst
C
gevolgtrekking
D
samenhang. overeenstemming

Slide 3 - Quiz

consistent
A
gevolgtrekking
B
uitdrukkelijk, nadrukkelijk, ondubbelzinnig
C
logische opbouw, past bij de verstrekte gegevens
D
redenering die aannemelijk lijkt, maar niet klopt

Slide 4 - Quiz

definitie
A
precieze omschrijving van de term
B
veronderstelling, iets dat nog gewezen moet worden
C
kenmerken van iets of iemand
D
antwoord op een probleem

Slide 5 - Quiz

paradox
A
waardoor het komt
B
een reeks, bijvoorbeeld van argumenten, meningen of voorbeelden
C
schijnbare tegenstelling
D
gedachtegang volgens een logisch patroon

Slide 6 - Quiz

impliciet
A
verstekken van gegevens om een ander informatie bij te brengen
B
hetgeen waarmee het doel wordt bereikt
C
argumenten die gelijkwaardig zijn aan elkaar
D
onuitgesproken, tussen de regels door.

Slide 7 - Quiz

karakterisering
A
kenmerken van iets of iemand
B
onderscheidingen aanbrengen in de tekst
C
veronderstelling, iets dat nog bewezen moet worden
D
tekstopbouw

Slide 8 - Quiz

Hypothese
A
reden/verklaring waarom iets zo is
B
afzwakken
C
veronderstelling, iets dat nog bewezen moet worden
D
een beschuldigende opmerking

Slide 9 - Quiz

uiteenzetting
A
doel van de tekst
B
ter verduidelijking
C
voorbeelden geven of een nadere uitleg
D
tekstsoort met uitleg met duidelijk omschrijving van de processen

Slide 10 - Quiz

verwijt
A
een beschuldigende opmerking
B
ter verduidelijking
C
probleem bespreken dat aan de orde is in de tekst
D
voorbeeld geven of een nadere uitleg

Slide 11 - Quiz

veronderstelling
A
een aanname
B
onderbouwing van een standpunt
C
wetenschappelijke opvatting
D
mening, overtuiging

Slide 12 - Quiz

retorische vraag
A
vraag die al eerder is gesteld
B
samenvatting van de gestelde vragen
C
vragen die alleen met ja-nee beantwoord kunnen worden
D
vragen waarop geen antwoord wordt verwacht

Slide 13 - Quiz

schrijfdoel
A
onderwerp van de tekst
B
korte samenvatting van de tekst
C
verkorte weergave van de belangrijkste informatie
D
hetgeen de schrijver wil bereiken met de tekst

Slide 14 - Quiz

tegenwerping
A
als je oneens bent met de schrijver
B
de bedoeling van de schrijver
C
ondergeschikt argument
D
een aanmerking op of een bezwaar tegen een eerdere bewering

Slide 15 - Quiz

oneigenlijk
A
iets niet willen toegeven
B
waardoor het komt
C
antwoord op een probleem
D
voor iets anders dan waar het voor bedoeld is

Slide 16 - Quiz

weerlegging
A
bewijs dat een argument of bewering onjuist is
B
uitlegging van de weersverwachting
C
eis waaraan voldaan moet worden
D
een aanname

Slide 17 - Quiz

drogreden
A
overeenkomst tussen bijvoorbeeld twee meningen of standpunten
B
een beschuldigende opmerking
C
een redenering die aannemelijk lijkt, maar niet klopt
D
uitdrukkelijk, nadrukkelijk, expliciet

Slide 18 - Quiz

expliciet
A
iets dat medebepalend is
B
uitdrukkelijk, nadrukkelijk, ondubbelzinnig
C
gevolgtrekking
D
bedenking, tegenwerping

Slide 19 - Quiz

analyse
A
uiteenzetting van de problemen
B
systematisch onderzoek waarbij probleem duidelijk wordt
C
tekst kunnen verdelen in inleiding, kern en slot
D
argumentenstructuur in de tekst

Slide 20 - Quiz

exact
A
een redenering waaruit de juistheid van het gestelde blijkt
B
Precies. Antwoord is wetenschappelijk juist
C
redenering waaruit de juistheid van het gestelde blijkt
D
bij benadering

Slide 21 - Quiz

Slide 22 - Video

Na het winnen van een zilveren medaille: "Natuurlijk is het mooi dat ik als tweede vrouw ben geëindigd, maar er deden maar vier vrouwen mee."
A
relativering
B
nuancering

Slide 23 - Quiz

"Het is natuurlijk vervelend dat je portemonnee gestolen is, maar binnen twee weken heb je alle belangrijke passen weer en het bankpasje is sowieso al geblokkeerd."
A
relativering
B
nuancering

Slide 24 - Quiz

Ik heb een hekel aan verjaardagen, althans aan van die grote verjaardagsvieringen, met familie, vrienden en bekenden, waarbij allerlei mensen in een kring op een stoel zitten en de hele middag of avond op diezelfde plek blijven zitten, er hapjes worden rondgedeeld en je de jarige bijna niet spreekt.
A
relativering
B
nuancering

Slide 25 - Quiz

paradox

een uitspraak waarvan de onderdelen op het eerste gezicht met elkaar in tegenspraak zijn, maar als je er even over nadenkt, zit er tóch een logische of soms zelfs wijze gedachte achter.
antithese (tegenstelling)

Twee tegengestelde of contrasterende begrippen/
ideeën worden naast elkaar gepresenteerd.

Slide 26 - Slide

Soms zijn je vrienden een groter gevaar dan je vijanden.
A
paradox
B
antithese

Slide 27 - Quiz


Zij steunen elkaar door dik en dun.
A
Antithese
B
Paradox

Slide 28 - Quiz

Schrijven is de kunst van het schrappen.
A
antithese
B
paradox

Slide 29 - Quiz

hyperbool

een sterke overdrijving, vaak met komische of ironische intentie (humor)

understatement

een formulering die de werkelijkheid sterk afzwakt of verkleint, vaak met ironisch intentie



eufemisme

een verzachtende aanduiding van iets dat eng, onaangenaam of aanstootgevend is

Slide 30 - Slide

Deze stijlfiguur gebruik je om minder hard over te komen.
Deze stijlfiguur gebruik je om iets af te zwakken.
Deze stijlfiguur gebruik je als je overdrijft.
Dit is een vorm van een understatement, waarbij je het tegenovergestelde ontkent.
Hyberbool
Understatement
Litotes
Eufemisme

Slide 31 - Drag question

Lionel Messi verdient 5,5 miljoen per jaar. Dat is een aardig inkomentje.
A
hyperbool
B
C
understatement
D
eufemisme

Slide 32 - Quiz

In Nederland regent het 29 van de 30 dagen.
A
hyperbool
B
C
understatement
D
eufemisme

Slide 33 - Quiz

Hij is zich aan het oriënteren op de arbeidsmarkt.
A
hyperbool
B
C
understatement
D
eufemisme

Slide 34 - Quiz


Ik word knettergek van je gezeur.
A
hyperbool
B
C
understatement
D
eufemisme

Slide 35 - Quiz

Die poolreizigers zullen het wel frisjes hebben.
A
hyperbool
B
C
understatement
D
eufemisme

Slide 36 - Quiz

Het kost een paar centen, maar dan heb je ook wat.
A
hyperbool
B
C
understatement
D
eufemisme

Slide 37 - Quiz

Een deel van het personeel zal moeten afvloeien.
A
hyperbool
B
C
understatement
D
eufemisme

Slide 38 - Quiz

'Niet onaardig gedaan', zei mevrouw Ducroo over mijn 9,7 voor Frans.
A
hyperbool
B
litotes
C
understatement
D
eufemisme

Slide 39 - Quiz

retorische vraag



een onechte vraag, ook wel schijnvraag genoemd. De spreker of schrijver verlangt geen antwoord, maar gebruikt de vraagvorm om meer nadruk op het gezegde te leggen of om zijn publiek aan het nadenken te zetten.

Slide 40 - Slide

Wil je ziek worden?
A
antithese
B
retorische vraag
C
hyperbool
D
eufemisme

Slide 41 - Quiz

oefenen met drogredenen
www.kwizl.eu

Inloggen met Entree 

klascode: QS8HQ8

Slide 42 - Slide