Marktresultaat en Overheidsinvloed (1e) H2. De overheid grijpt in

Marktresultaat en Overheidsinvloed
1. Economische doelmatigheid
  • volkomen concurrentie = perfecte markt = Pareto-optimum
  • homogene producten & gebrek aan innovaties
2. De overheid grijpt in
  • minimum & maximum prijzen
  • belastingen (heffingen) & subsidies
3. Onvolkomen concurrentie
  • marktmacht = marktfalen (monopolie, oligopolie en monopolistische concurrentie)
  • prijsdiscriminatie
4. Ontbrekende markten
  • asymmetrische informatie, averechtse selectie, collectieve goederen en externe effecten
1 / 52
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

This lesson contains 52 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Marktresultaat en Overheidsinvloed
1. Economische doelmatigheid
  • volkomen concurrentie = perfecte markt = Pareto-optimum
  • homogene producten & gebrek aan innovaties
2. De overheid grijpt in
  • minimum & maximum prijzen
  • belastingen (heffingen) & subsidies
3. Onvolkomen concurrentie
  • marktmacht = marktfalen (monopolie, oligopolie en monopolistische concurrentie)
  • prijsdiscriminatie
4. Ontbrekende markten
  • asymmetrische informatie, averechtse selectie, collectieve goederen en externe effecten

Slide 1 - Slide

Week 7 (vanaf 10 februari 2025)
Hoofdstuk 2. De overheid grijpt in
  • actualiteit (Europese Commissie dreigt met rechter over eenzijdige aanbesteding NS)
  • terugblik vorige les (Pareto-criterium)
  • opdracht 1.13, 1.14 en 1.17 klassikaal bespreken
  • leerdoelen
  • instructie (minimum en maximumprijzen)
  • maakwerk: opdracht 2.1 t/m 2.8

Slide 2 - Slide

Pareto-criterium
Een situatie op een markt is Pareto-efficiënt of Pareto-optimaal als: het marktresultaat verbetert als de vooruitgang van de een, groter is dan de achteruitgang van de ander (bijvoorbeeld toename consumentensurplus > daling producentensurplus).

Alle verliezers kunnen voor het verlies worden gecompenseerd uit de winst van de winnaars.

Slide 3 - Slide

Opdracht 1.13
Stel dat de de rpijs daalt van € 20 naar € 10.
a. Arceer de toename van het CS. 
b. Bereken de toename van het CS.
  • (€ 20 - € 10) x 6 + 0,5 x (€ 20 - € 10) x (8 - 6) x 100.000 = € 7 miljoen

Stel dat de prijs stijgt van € 20 naar € 35.
c. Geef met ABCD de verandering weer.
d. Bereken de verandering van het CS. 
  • (€ 35 - € 20) x 3 + 0,5 x (€ 35 - € 20) x (6 - 3) x 100.000 = € 6,75 miljoen

Slide 4 - Slide

Opdracht 1.14
Stel de prijs is € 15.
d. Arceer het PS bij deze prijs.
  • onderste driehoek 
e. Bereken het producentensurplus.
  • 0,5 x (€ 15 - € 5) x 400.000 = € 2 miljoen
De prijs stijgt van € 15 naar € 25.
f. Arceer de toename van het PS.
g. Bereken de toename van het PS.
  • (€ 25 - € 15) x 4 + 0,5 x (€ 25 - € 15) x (8 - 4) x 100.000 = € 6 miljoen

Slide 5 - Slide

Opdracht 1.17
De overheid vindt de prijs van een taxirit te laag en stelt een minimumprijs in van € 30.
c. Bereken de nieuwe marktomzet.
  • TO = p x q = € 30 x 400.000 = € 12 miljoen 
d. Bereken het nieuwe producentensurplus.
  • 0,5 x (€ 15 - € 5) x 400.000 + (€ 30 - € 15) x 400.000 = € 8 miljoen
e. Is hier sprake van een Pareto-efficiënte verandering?
  • nee, de producenten gaan er minder op vooruit dan
  • de consumenten erop achteruit gaan
f. Arceer het surplus dat verschuift. 
  • zie figuur rechts

Slide 6 - Slide

Zelftest H1
  • wat: 1.6 zelftest, opdracht 1.20 t/m 1.26 (pagina 17)
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: tot 10 minuten
  • uitkomst: zo ver mogelijk
  • klaar: ga verder met opdracht 1.27 t/m 1.31
timer
10:00

Slide 7 - Slide

Leerdoelen H2. De overheid grijpt in
  • Ik kan de begrippen op pagina 40 omschrijven (zie ook LWEO).
  • Ik kan een motieven noemen voor het instellen van een minimum- en maximumprijs.
  • Ik kan grafisch en algebraïsch de gevolgen op de gevraagde en aangeboden hoeveelheid en de omvang en verdeling van het totale surplus analyseren van de instelling van een minimum- of maximumprijs.
  • Ik kan met behulp van een Harberger-driehoek herkennen hoe surplusverliezen ontstaan en dit grafisch en rekenkundig onderbouwen.










































Slide 8 - Slide

Opdracht 2.1
  • wat: opdracht 2.1
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: tot 10 minuten
  • uitkomst: zo ver mogelijk
  • klaar: ga verder met opdracht 2.2
timer
10:00

Slide 9 - Slide

Opdracht 2.1
b. Bereken het totale surplus in het evenwicht.
  • 0,5 x (0,21 - 0,05) x 16 miljoen = € 1.280.000
h. Bereken het consumenten- en producentensurplus bij de maximumprijs.
  • CS = 0,5 x (€ 0,21 - € 0,16) x 10 miljoen + (€ 0.16 - € 0,10) x 10 miljoen = € 850.000
  • PS = 0,5 x € 0,05 x 10 miljoen = € 250.000
i. Bereken het verloren surplus.
  • het totale surplus bij de maximumprijs =    € 850.000 + € 250.000 = € 1.100.000
  • verloren = 1.280.000 - 1.100.000 = € 180.000

Slide 10 - Slide

De overheid 
Als de overheid de marktuitkomst ongewenst vindt, kan ze ingrijpen in de uitkomst:
  • ze kan d.m.v. wet- en regelgeving bepaalde goederen of samenwerking tussen aanbieders (kartelvorming) verbieden
  • ze kan ingrijpen in de prijsvorming (prijsregulering) met minimumprijzen (bijv. landbouw) of maximumprijzen (bijv. huren)
  • ze kan de productiekosten beïnvloeden door een heffing op te leggen of door een subsidie te verstrekken

Slide 11 - Slide

Gevolg ingrijpen
Ingrijpen in de markt leidt tot verlies van surplus (deadweight loss = Harbergerdriehoek).

De overheid kijkt of het verlies aan doelmatigheid (het totale surplus van CS en PS daalt!) opweegt tegen de positieve effecten van ingrijpen.

Slide 12 - Slide

Maximumprijs
Kenmerken van een maximumprijs:
  • ligt onder de evenwichtsprijs!
  • beschermt de consument
  • vraagoverschot (vraag > aanbod)

Er is een stelsel nodig om te bepalen wie in aanmerking komt (bijv. wachtlijst of loting).
Voorbeeld: huren in Nederland
  • opoffering doelmatigheid om betaal baarheid wonen te behouden
  • uitkomst is niet meer Pareto-efficiënt

Slide 13 - Slide

Minimumprijs
Kenmerken van een minimumprijs:
  • ligt boven de evenwichtsprijs!
  • beschermt de producent
  • aanbodoverschot (aanbod > vraag)


Voorbeeld: landbouwprijzen in de EU
  • opoffering doelmatigheid om voedsel-voorziening te behouden en inkomen voor boeren
  • uitkomst is niet meer Pareto-efficiënt

Slide 14 - Slide

Gevolgen (minimum prijzen)
  • consumentenprijzen liggen hoger
  • belastingen worden hoger,
       omdat (aanbod)overschotten moeten worden opgekocht (door overheid)
  • invoerrechten om goedkope invoer te weren (want in het binnenland ligt de prijs nu hoger)
  • exportsubsidies om overschotten buiten de EU te verkopen
  • ontwikkelingslanden worden m.n. door 3. en 4. geraakt (ze kunnen hun producten niet kwijt in de EU en ze ondervinden last van oneerlijke concurrentie op de eigen markt)

Slide 15 - Slide

Slide 16 - Slide

Maakwerk deze week
  • wat: opdracht 2.1 t/m 2.6
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: tot 1 minuut voor einde les
  • uitkomst: zo ver mogelijk
  • klaar: ga verder met opdracht 2.7 en 2.8

Slide 17 - Slide

Week 9 (vanaf 24 februari 2025)
Hoofdstuk 2. De overheid grijpt in
  • actualiteit
  • terugblik vorige les (minimum en maximumprijzen)
  • opdracht 2.2, 2.4, 2.7 en 2.8 klassikaal bespreken
  • leerdoelen
  • instructie (indirecte belastingen)
  • maakwerk: opdracht 2.9 t/m 2.13

Slide 18 - Slide

Terugblik
Als de overheid de marktuitkomst ongewenst vindt, kan ze ingrijpen in de uitkomst:
  • ze kan d.m.v. wet- en regelgeving bepaalde goederen of samenwerking tussen aanbieders (kartelvorming) verbieden
  • ze kan ingrijpen in de prijsvorming (prijsregulering) met minimumprijzen (bijv. landbouw) of maximumprijzen (bijv. huren)
  • ze kan de productiekosten beïnvloeden door een heffing op te leggen of door een subsidie te verstrekken

Slide 19 - Slide

Opdracht 2.2
De overheid stelt de maximumprijs  op € 15. 
d. Arceer het surplusdeel dat verschuift van de producenten naar de consumenten.
  • zie figuur
e. Bereken het surplusdeel dat verschuift van producenten naar consumenten.
  • 4 x (€ 20 - € 15) x 100.000 = € 2 miljoen
f. Arceer de Harberger-driehoek.
  • zie figuur
g. Bereken het verloren surplus.
  •  0,5 x (30 - 5) x (6 - 4) x 100.000 = € 1,5 mln

Slide 20 - Slide

Opdracht 2.4
a. Bereken de omzet in het evenwicht.
  • Qv = Qa
  • -2P + 450 = 2P -150 → 4P = 600 → P = €150
  • Qv = -2 x €150 + 450 = 150 miljoen
  • omzet = €150 x 150 miljoen = € 22,5 miljard
b. Arceer het consumentensurplus en producentensurplus.

Slide 21 - Slide

Opdracht 2.4
De overheid stelt nu een minimum prijs in van € 180 per ton graan.
f. Bereken het aanbodoverschot.
  • Qv = -2 x € 180 + 450 = 90 miljoen ton
  • Qa = 2 x €180 -150 = 210 miljoen ton
  • aanbodoverschot = Qa - Qv = 120 mln ton
g. Arceer het verloren surplus door het instellen van de minimumprijs van € 180.

Slide 22 - Slide

Opdracht 2.4
h. Arceer de toename van het totale surplus door het opkopen van de overheid in vergelijking met de uitgangssituatie.

Slide 23 - Slide

Opdracht 2.4
i. Bereken het bedrag dat de overheid kwijt is aan het opkopen van het overschot.
  • € 180 x 120 miljoen = € 21,6 miljard
j. Arceer het bedrag dat de overheid kwijt is aan het opkopen.

Slide 24 - Slide

Opdracht 2.7
c. Arceer in het totale werkgeverssurplus.

Slide 25 - Slide

Opdracht 2.8
c. Arceer in het surplus dat verschuift van werkgevers naar werknemers.
d. Arceer de Harberger-driehoek.

Slide 26 - Slide

Minimum loon
Kenmerken van een minimum loon:
  • ligt boven de evenwichtsprijs!
  • beschermt de werknemer 
  • creëert werkeloosheid (aanbod > vraag)

Waarom?
  • opoffering doelmatigheid om het bestaansminimum van lage lonen te garanderen
  • uitkomst is niet meer Pareto-efficiënt

Slide 27 - Slide

Leerdoelen H2. De overheid grijpt in
  • Ik kan de begrippen op pagina 40 omschrijven (zie ook LWEO).
  • Ik kan een motieven noemen voor het instellen van een minimum- en maximumprijs.
  • Ik kan grafisch en algebraïsch de gevolgen op de gevraagde en aangeboden hoeveelheid en de omvang en verdeling van het totale surplus analyseren van de instelling van een minimum- of maximumprijs.
  • Ik kan met behulp van een Harberger-driehoek herkennen hoe surplusverliezen ontstaan en dit grafisch en rekenkundig onderbouwen.










































Slide 28 - Slide

Leerdoelen H2. De overheid grijpt in
  • Ik kan een motieven noemen voor het instellen van een minimumloon.
  • Ik kan kenmerken en voorbeelden noemen van een indirecte belasting of subsidie.
  • Ik kan een nieuwe aanbodlijn opstellen als gevolg een indirecte belasting of subsidie.
  • Ik kan uitleggen welke invloed indirecte belastingen en subsidies hebben op het marktresultaat en de verdeling van het surplus (grafisch en rekenkundig onderbouwen).
  • Ik kan het afwentelingspercentage als gevolg van een indirecte belasting berekenen.
  • Ik kan uitleggen hoe de vraag- en aanbodlijn van invloed is op het afwentelingspercentage.










































Slide 29 - Slide

Belastingen en subsidies
  • Directe belastingen zoals inkomsten en vennootschapsbelasting worden door personen of bedrijven aan de overheid betaald over inkomen/vermogen.
  • Directe subsidies worden bijvoorbeeld in de vorm van inkomenssteun rechtstreeks aan personen of bedrijven verstrekt.
  • Indirecte belastingen zoals accijns en BTW zijn
      kostprijsverhogend. De verkoper draagt de
      belasting af aan de overheid. De verkoper berekent
      deze hogere kosten door in de verkoopprijs.
  • Indirecte subsidies zoals op zonnepanelen of
       elektrische auto zijn kostprijsverlagend.
       

Slide 30 - Slide

De overheid stuurt de markt
Waarom zijn er belastingen en subsidies?
  • negatieve externe effecten te verminderen
  • positieve externe effecten te bevorderen

Slide 31 - Slide

Indirecte belastingen
Indirecte belastingen zoals accijns, energiebelasting en BTW werken kostprijsverhogend, worden doorberekend aan de consument en werken remmend. Zij kunnen een substantieel onderdeel uitmaken van de consumentenprijs zodat een product minder gekocht wordt.

Slide 32 - Slide

Accijns
De overheid voert een heffing (accijns) in op cola om de cola consumptie te ontmoedigen.

Wat gebeurt er met vraag en aanbod?
  • de aanbodlijn verschuift naar boven met de hoogte van de heffing (stijging MK)
  • bij dezelfde consumentenprijs wordt er dan minder cola aangeboden
  • hogere evenwichtsprijs (product duurder)
  • lagere evenwichtshoeveelheid
  • er is een verlies aan surplus / welvaart

Slide 33 - Slide

Afwenteling
Afwenteling is de mate waarin de heffing (accijns) wordt doorberekend aan de consument. Ofwel een deel van de heffing wordt doorberekend aan de consument en een deel van de heffing neemt de producent voor zijn rekening.

Hoe steiler de vraaglijn (minder prijselastische vraag) en/of hoe vlakker de aanbodlijn, hoe hoger het afwentelingspercentage.

Slide 34 - Slide

Indirecte belastingen
  1. C: we zien dat het consumentensurplus ten opzichte van de uitgangssituatie flink is afgenomen
  2. P: we zien dat (ondanks de hogere consumentenprijs) ook het producentensurplus flink is afgenomen
  3. O: tegenover de afname van de welvaart die ontstaat door een kleiner consumenten- en producentensurplus, staat een bedrag dat de overheid ontvangt waarmee zij collectieve goederen kan produceren die weer welvaart opleveren
  4. WV: de toename van de welvaart (O) is kleiner dan het verlies aan producenten- en consumentensurplus, per saldo daalt de welvaart met de driehoek WV (Harberger-driehoek)

Slide 35 - Slide

Qa en MK na heffing
Nieuwe Qa-functie na heffing:
  • vervang de P door (P - heffing)
  • bijvoorbeeld € 15 heffing
  • Qa = 0,4P – 2 → Qa = 0,4(P - 15) – 2

Nieuwe MK-functie na heffing:
  • verhoog de functie voor elke q met de heffing
  • bijvoorbeeld € 15 heffing
  • MK = 2,5q + 5 → MK = 2,5q + 20

Slide 36 - Slide

Slide 37 - Slide

Maakwerk deze week
  • wat: opdracht 2.10 en 2.11
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: tot 1 minuut voor einde les
  • uitkomst: zo ver mogelijk
  • klaar: ga verder met opdracht 2.9 t/m 2.13

Slide 38 - Slide

Week 9 (vanaf 24 februari 2025)
Hoofdstuk 2. De overheid grijpt in
  • actualiteit (particuliere investeerders verkochten vorig jaar 18.000 huurwoningen)
  • terugblik vorige les (indirecte belastingen)
  • opdracht 2.10 en 2.11 klassikaal bespreken
  • leerdoelen
  • instructie (indirecte subsidies)
  • maakwerk: opdracht 2.14 en 2.15

Slide 39 - Slide

Terugblik vorige les (accijns)
  1. C: we zien dat het consumentensurplus ten opzichte van de uitgangssituatie flink is afgenomen
  2. P: we zien dat (ondanks de hogere consumentenprijs) ook het producentensurplus flink is afgenomen
  3. O: tegenover de afname van de welvaart die ontstaat door een kleiner consumenten- en producentensurplus, staat een bedrag dat de overheid ontvangt waarmee zij collectieve goederen kan produceren die weer welvaart opleveren
  4. WV: de toename van de welvaart (O) is kleiner dan het verlies aan producenten- en consumentensurplus, per saldo daalt de welvaart met de driehoek WV (Harberger-driehoek)

Slide 40 - Slide

Opdracht 2.10

Slide 41 - Slide

Opdracht 2.11
a. Toon aan dat Qa = 0,4P -2
b. Toon aan dat de heffing van € 15 leidt tot
     Qa = 0,4P - 8 en MK = 2,5q + 20
c. Teken de nieuwe aanbodfunctie.
d. Arceer het verloren surplus.
e. Bereken het verloren surplus.
  • 0,5 x € 15 x (6 - 4) x 100.000 = € 1,5 mln
f. Bereken de opbrengst voor de overheid.
  • € 15 x 400.000 = € 6 mln
g. Bereken het afwentelingspercentage.
  • € 10 / € 15 x 100% = 66,7%

Slide 42 - Slide

Leerdoelen H2. De overheid grijpt in
  • Ik kan de begrippen op pagina 40 omschrijven (zie ook LWEO).
  • Ik kan een motieven noemen voor het instellen van een minimum- en maximumprijs.
  • Ik kan grafisch en algebraïsch de gevolgen op de gevraagde en aangeboden hoeveelheid en de omvang en verdeling van het totale surplus analyseren van de instelling van een minimum- of maximumprijs.
  • Ik kan met behulp van een Harberger-driehoek herkennen hoe surplusverliezen ontstaan en dit grafisch en rekenkundig onderbouwen.










































Slide 43 - Slide

Leerdoelen H2. De overheid grijpt in
  • Ik kan een motieven noemen voor het instellen van een minimumloon.
  • Ik kan kenmerken en voorbeelden noemen van een indirecte belasting of subsidie.
  • Ik kan een nieuwe aanbodlijn opstellen als gevolg een indirecte belasting of subsidie.
  • Ik kan uitleggen welke invloed indirecte belastingen en subsidies hebben op het marktresultaat en de verdeling van het surplus (grafisch en rekenkundig onderbouwen).
  • Ik kan het afwentelingspercentage als gevolg van een indirecte belasting berekenen.
  • Ik kan uitleggen hoe de vraag- en aanbodlijn van invloed is op het afwentelingspercentage.










































Slide 44 - Slide

Subsidies
Subsidies zoals op zonnepanelen, elektrische auto's, kinderopvang
en theater werken kostprijsverlagend en werken bevorderend.
Zij verlagen de consumentenprijs zodat een product meer gekocht
wordt

Slide 45 - Slide

Subsidie
De overheid voert een subsidie in op e-auto's om de verkoop te stimuleren.

Wat gebeurt er met vraag en aanbod?
  • de aanbodlijn verschuift naar beneden met de hoogte van de subsidie (daling MK)
  • bij dezelfde consumentenprijs worden er dan meer elektrische auto's aangeboden
  • lagere evenwichtsprijs (auto's goedkoper)
  • hogere evenwichtshoeveelheid
  • er is een verlies aan surplus / welvaart

Slide 46 - Slide

Kosten
Het consumentensurplus neemt door de subsidie toe (rode balk). Tevens neemt het producentensurplus toe (blauwe balk).

De overheid betaalt de kosten van de subsidie (rode + blauwe balk + gele driehoek).

De kosten van de subsidie zijn niet volledig gedekt door de groei van het consumenten en producentensurplus → verlies aan surplus / welvaart (gele driehoek).

Slide 47 - Slide

Qa en MK na subsidie
Nieuwe Qa-functie na subsidie:
  • vervang de P door (P + subsidie)
  • bijvoorbeeld € 15 subsidie
  • Qa = 0,4P – 5 → Qa = 0,4(P + 15) – 5

Nieuwe MK-functie na subsidie:
  • verlaag de functie voor elke q met de subsidie
  • bijvoorbeeld € 15 subsidie
  • MK = 2,5q + 25 → MK = 2,5q + 10

Slide 48 - Slide

Slide 49 - Slide

Maakwerk deze week
  • wat: opdracht 2.14 en 2.15
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: tot 1 minuut voor einde les
  • uitkomst: zo ver mogelijk
  • klaar: ga verder met opdracht 3.1 t/m 3.5

Slide 50 - Slide

Opdracht 2.14

Slide 51 - Slide

Opdracht 2.15
a. Bereken het (oude) marktevenwicht (p en q).
b. Teken de vraag- en aanbodlijn.
De overheid verleent een subsidie van € 100.
c. Leid de nieuwe aanbodfunctie af.
  • Qa = 15(P + 100) - 3000 → Qa = 15P - 1500
d. Bereken het nieuwe marktevenwicht.
e. Teken de nieuwe aanbodlijn.
f. Arceer de subsidiekosten.
g. Geef de Harberger-driehoek aan.
h. Bereken het verloren surplus.
  • 0,5 x € 100 x (4.800 - 4.200) = € 30.000

Slide 52 - Slide