This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slide.
Lesson duration is: 30 min
Items in this lesson
tekstverbanden en signaalwoorden
Slide 1 - Slide
Wat is een mening?
A
Een feit dat altijd waar is
B
Een persoonlijke opvatting over iets
C
Een uitleg van een moeilijk woord
D
Een samenvatting van een tekst
Slide 2 - Quiz
Wat is een argument?
A
Een opsomming van feiten
B
Een conclusie van een tekst
C
Een samenvatting van een tekst
D
Een reden om een mening te ondersteunen
Slide 3 - Quiz
Wat is een conclusie?
A
Een afsluitende zin die de mening samenvat
B
Een nieuw argument
C
Een feitelijke uitspraak
D
Een uitleg van een moeilijke term
Slide 4 - Quiz
Welke zin bevat een mening?
A
"Schooluniformen zijn een goed idee."
B
"Schooluniformen worden in Engeland gedragen."
C
"Schooluniformen zijn verplicht op sommige scholen."
D
"Schooluniformen kosten geld."
Slide 5 - Quiz
Welke zin bevat een argument?
A
"Schooluniformen hebben verschillende kleuren."
B
"Veel scholen hebben een kantine."
C
"Een schooldag duurt meestal acht uur."
D
"Schooluniformen zorgen voor minder pestgedrag."
Slide 6 - Quiz
Welke conclusie past bij deze mening en argumenten Mening: "Telefoons moeten in de pauze verboden worden." Argument:" Zo praten leerlingen meer met elkaar."
A
"Sommige scholen hebben al een telefoonverbod."
B
"Daarom is een telefoonverbod in de pauze een goed idee."
C
"Niet iedereen vindt dat telefoons verboden moeten worden."
D
"Een telefoon heeft veel functies."
Slide 7 - Quiz
Wat is een signaalwoord voor een redegevend verband?
A
"Omdat"
B
"Maar"
C
"Echter"
D
"Vervolgens"
Slide 8 - Quiz
Welke tekstsoort hoort bij mening, argument en conclusie?
A
Betoog
B
Verhaal
C
Informatieve tekst
D
Handleiding
Slide 9 - Quiz
Wat is een tekstverband?
A
Een rijtje moeilijke woorden
B
Een opsomming van feiten
C
Een tekst met alleen maar meningen
D
de manier waarop zinnen en alinea's met elkaar samenhangen
Slide 10 - Quiz
Welk tekstverband hoort bij het signaalwoord 'maar'?
A
Tegenstelling
B
Oorzaak-gevolg
C
Opsomming
D
Reden
Slide 11 - Quiz
Welke van deze signaalwoorden geven een opsomming aan?
A
Doordat, daarom, dus
B
Maar, echter, toch
C
Ten eerste, ook, bovendien
D
Bijvoorbeeld, zoals, denk aan
Slide 12 - Quiz
Wat is een signaalwoord van een conclusie?
A
Bijvoorbeeld
B
Ook
C
Dus
D
Daarna
Slide 13 - Quiz
Welke zin bevat een oorzaak-gevolg verband?
A
"Eerst gingen we zwemmen, daarna aten we een ijsje."
B
"Ik hou van honden, want ze zijn trouw."
C
"Ik wil een kat, maar mijn ouders willen dat niet."
D
"Het regende hard, waardoor de straten nat werden."
Slide 14 - Quiz
Welk tekstverband past bij het signaalwoord 'doordat'?
A
Oorzaak-gevolg
B
Opsomming
C
Vergelijking
D
Tegenstelling
Slide 15 - Quiz
Wat is een signaalwoord voor een redengevend verband?
A
Omdat
B
Terwijl
C
Bijvoorbeeld
D
Daarna
Slide 16 - Quiz
Wat is een kenmerk van een uitleggend verband?
A
Het vertelt wat er eerst en daarna gebeurt.
B
Er worden twee dingen tegenover elkaar gezet.
C
Er wordt extra informatie gegeven om iets te verduidelijken.
D
Het legt een verband tussen oorzaak en gevolg.
Slide 17 - Quiz
Wat is een voorbeeld van een samenvattend signaalwoord?
A
Kortom
B
Daarom
C
Terwijl
D
Maar
Slide 18 - Quiz
Welk signaalwoord hoort bij een tijdsvolgorde?
A
Bijvoorbeeld
B
Daarom
C
Maar
D
Vervolgens
Slide 19 - Quiz
Welke zin bevat een toelichtend verband?
A
"Ik wil een hond, maar mijn moeder is allergisch."
B
"Veel mensen sporten, bijvoorbeeld voetbal of tennis".
C
"We gingen eerst naar de winkel en daarna naar huis."
D
"Het stormde, waardoor de bomen omvielen."
Slide 20 - Quiz
Welke zin heeft een redegevend verband?
A
"Ik ben ziek, daarom blijf ik thuis."
B
"Ik was laat, waardoor ik de bus miste."
C
"Eerst gingen we naar de bioscoop, daarna uit eten."
D
"Ik draag een jas, hoewel het niet koud is."
Slide 21 - Quiz
welke tekstsoort past vaak bij een uitleggend verband?