formative reading en adjectieven oefenen

    Ik ga op reis en ik neem mee...
1 / 27
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 90 min

Items in this lesson

    Ik ga op reis en ik neem mee...

Slide 1 - Slide

Wat doen we vandaag?
check materials

  • adjectives-adjectieven
  • adjectieven quiz
  • formative reading: de Biesbosch
  • Quizlet oefenen
  • Quizlet live

Slide 2 - Slide

Bijvoeglijk naamwoord-adjective
The car is fast. De auto is snel.
The fast car-de snelle auto
The girl is pretty. Het meisje is mooi.
a pretty girl-het mooie meisje

Adjectives tell us how something is. They give extra info about the noun that is behind it.

Slide 3 - Slide

Staat het woord aan het eind van een zin? Dan schrijf je de kortste vorm:
Is the word at the end of sentences, then write short:

  • De stoel is wit.
  • De kast is groot.
  • Het meisje is lief.
Staat het voor een mens of ding? Dan krijgt het een -e:
Is the adjective in front of the noun then add an -e:

  • De witte stoel.
  • De grote kast.
  • Het lieve meisje.

Slide 4 - Slide

Let op!
woorden die einigen met 1 klinker en 1 medeklinker veranderen
words ending with 1 vowel and 1 consonant change:
wit - witte, dik - dikke
woorden die eindigen met 2 klinkers en 1 medeklinker veranderen:
words with 2 vowels next to each other and 1 consonant change:
groot - grote (drop 1 consonant+e)
laag - lage

Slide 5 - Slide

Let op!
word with 2 vowels and an -s or -f change:

grijs - grijze (s to z +e)
lief - lieve (f to v+e)

Slide 6 - Slide

Adjectieven quiz
korte quiz

Slide 7 - Slide

What is the adjective in this sentence?
Karel heeft een goede vriend.
A
Karel
B
goede
C
heeft
D
een

Slide 8 - Quiz

What is the adjective in this sentence?

De cursisten hebben een nieuw boek.
A
nieuw
B
cursisten
C
hebben
D
een

Slide 9 - Quiz

Wat is het bijvoeglijke naamwoord in deze zin?
Zij woont in een groot huis.
A
Zij
B
woont
C
groot
D
huis

Slide 10 - Quiz

What is the adjective?

Dat is een lief hondje!
A
is
B
hondje
C
een
D
lief

Slide 11 - Quiz

Which word is NOT an adjective?
A
man
B
sterke
C
groot
D
aardig

Slide 12 - Quiz

Which word is NOT an adjective?
A
leuke
B
leuk
C
huis
D
dik

Slide 13 - Quiz

Which word is NOT an adjective?
A
rode
B
rood
C
fiets
D
roze

Slide 14 - Quiz

Which words are adjectives? (phase 3!)

De aardige mevrouw heeft een bruin hondje met een leren halsband.

Slide 15 - Open question

Put an adjective in front of:
appels

Slide 16 - Open question

Put an adjective in front of:
de kaas

Slide 17 - Open question

Formative reading
over de Biesbosch (zeg: biesbos)

Slide 18 - Slide

De Biesbosch
Wat is het?
Kijk naar het woord en de foto

Slide 19 - Slide

Afgesloten (disconnected) van de zee
  • na Watersnoodramp (floods) 1953:
  • Deltawerken (Big dams)
  • Haringvlietsluizen (sluices)

Slide 20 - Slide

Zoogdieren (mammals)
  • Bever (beaver)
  • Ree (deer)
  • Konijnen en hazen 
  • (rabbits and hares)
  • Kleine roofdieren (small predators)
  • Vogels (birds)

Slide 21 - Slide

Recreatie in de Biesbosch
  • varen (met kano of fluisterboot)
  • boating (with canoe or whisper boat)
  • Wandelen (hiking)
  • vogels kijken (bird watching)

Slide 22 - Slide

Nationaal park
  • Natuur (nature)
  • Beschermen (protect)
  • Grootste Nationaal park
    van Nederland
  • Biggest National park in the
    Netherlands

Slide 23 - Slide

Website 
https://www.beleefdebiesbosch.nl/de-biesbosch
Gebruik de website in het NEDERLANDS
Zoek de informatie op de website en beantwoord de vragen. Probeer zo veel mogelijk in het Nederlands te antwoorden.

Slide 24 - Slide

handige woorden
voorjaar-spring
zonsopgang-sunrise
natuurgids-nature guide
fluistervaartocht-whisperboattrip
op zoek-to search
eiland-island
getij-tide (eb en vloed)


Slide 25 - Slide

Klaar? Done?
oefenen met de adjectieven (kopie)

Slide 26 - Slide