brugklas nr 2

in het Spaans:
"Welk seizoen zie je op deze afbeelding?"
A
el otoño
B
la primavera
C
el verano
D
el invierno
1 / 21
next
Slide 1: Quiz
SpaansMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

This lesson contains 21 slides, with interactive quizzes.

Items in this lesson

in het Spaans:
"Welk seizoen zie je op deze afbeelding?"
A
el otoño
B
la primavera
C
el verano
D
el invierno

Slide 1 - Quiz

In het Spaans:
"Welk seizoen zie je op deze afbeelding?"
A
el otoño
B
la primavera
C
el verano
D
el invierno

Slide 2 - Quiz

Welke is de juiste vertaling in het Spaans van deze cijfers?: "12 + 1 + 5 "
A
doche + uno + cinco
B
doce + un + cinc
C
doce + uno + cinco
D
doche + uno + cinc

Slide 3 - Quiz

Welke is de juiste vertaling in het Spaans van deze cijfers?: "6 + 8 + 15 "
A
seis + ocho + quince
B
seis + ocho + cuince
C
seiz + ocho + quince
D
seis + ocho + quinze

Slide 4 - Quiz

Welke is de juiste vertaling in het Spaans van deze cijfers?: "19 + 10 + 7 "
A
diecinuev + diez + siete
B
diecinueve + diece + siete
C
diecinueve + diez + sete
D
diecinueve + diez + siete

Slide 5 - Quiz

Welke is de juiste vertaling in het Spaans van deze cijfers?: "3 + 14 + 9 "
A
tres + catorce + nueve
B
trece + catorce + nueve
C
tres + cuatorce + nueve
D
tres + catorce + nuef

Slide 6 - Quiz

Dagen van de week
Lunes
martes
miércoles
jueves
viernes
sábado
domingo
maandag
dinsdag
woensdag
donderdag
vrijdag
zaterdag
zondag

Slide 7 - Drag question

Yo
Él / ella / usted
Nosotros/-as
Vosotros/-as
Ellos / ellas / ustedes
trabajamos
trabaja
trabajáis
trabajan
trabajo
trabajas

Slide 8 - Drag question

Sleep de Spaanse woorden naar de juiste kleuren.
amarillo
azul
negro
gris
rojo
verde
blanco
naranja
rosa
marrón

Slide 9 - Drag question

Koppel lidwoord aan zelfstandig naamw.
el
la
los
las
madres
tortuga
banco
museos

Slide 10 - Drag question

Sleep de gele cijfers naar de groene getallen!
uno
dos
tres
cuatro
cinco
seis
siete
ocho
nueve
diez
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10

Slide 11 - Drag question

Welk getal is dit in het Nederlands?
"16"
A
diecinueve
B
trece
C
diesiséis
D
doce

Slide 12 - Quiz

Welk getal is dit in het Nederlands?
"15"
A
catorce
B
quince
C
once
D
dieciocho

Slide 13 - Quiz

Wat is de juiste vertaling van dit woord in het Spaans?
"de vlinder"
A
la mariposa
B
la mariquita
C
el mono
D
la jirafa

Slide 14 - Quiz

Wat is de juiste vertaling van dit woord in het Spaans?
"de broer"
A
la madre
B
el abuelo
C
el primo
D
el hermano

Slide 15 - Quiz

Wat is de juiste vertaling van dit woord in het Spaans?
"de kikker"
A
el búho
B
la rana
C
el gato
D
el cerdo

Slide 16 - Quiz

Wat is de juiste vertaling van dit woord in het Spaans?
"de bijen"
A
las ovejas
B
las orelias
C
las vacas
D
las abejas

Slide 17 - Quiz

Welke is de goede vervoeging?
"COMER: yo ............................"
A
yo comes
B
yo como
C
yo come
D
yo com

Slide 18 - Quiz

Welke is de goede vervoeging?
"TOMAR: él ............................"
A
él toman
B
él tomas
C
él tom
D
él toma

Slide 19 - Quiz

Welke is de goede vervoeging?
"VIVIR: tú ............................"
A
tú vive
B
tú viv
C
tú vives
D
tú vivis

Slide 20 - Quiz

Welke is de goede vervoeging?
"BEBER: ellos ............................"
A
ellos bebe
B
ellos beben
C
ellos bebéis
D
ellos bebes

Slide 21 - Quiz