- Iedereen maakt veel fouten in interpunctie en hoofdletters
Slide 4 - Slide
Slide 5 - Slide
Hoofdletters
1. Aan het begin van een zin
2. Bij namen. Toon Verbraak, Cals College, Europese Unie, Kruidvat en Noord-Holland.
Let op: als de voornaam of voorletter ontbreekt, krijgt het eerste tussenvoegsel een hoofdletter.
3. Bij woorden die van aardrijkskundige namen zijn afgeleid: Groningse, Spaans en Zuid-Afrikaanse.
(LET OP: dagen, maanden, seizoenen en windstreken niet!!!!!!!!!!!!!!!!)
Slide 6 - Slide
Leestekens
- Een zin eindigt met een .?!
Een zin bestaat (meestal) uit een onderwerp en persoonsvorm (volgend onderwerp en persoonsvorm zijn dus onderdeel van een nieuwe zin.
Je kunt zinnen aan elkaar verbinden met het woordje 'en' , met een komma, met een verbindingswoord en een komma.
Doe dit niet teveel achter elkaar.
Slide 7 - Slide
Komma (blz. 184)
Je gebruikt een komma om een zin beter leesbaar te maken.
Je zet een komma:
tussen twee persoonsvormen:
tussen de delen van een opsomming (maar niet voor en)
tussen een naam of een uitroep en de rest van de zin
voor maar, doordat, nadat, omdat, terwijl, voordat, want, zodat en zodra
Slide 8 - Slide
Dubbele punt (blz. 184)
Je gebruikt een dubbele punt als je iets aankondigt, bijvoorbeeld:
een opsomming: Rianne spreekt vier talen: Nederlands, Frans, Engels en Duits.
een toelichting: We eten elke dag twee stuks fruit: dat is gezond.
een citaat: Vader zei: 'Ik zet de vuile borden wel even in de vaatwasser.'
Slide 9 - Slide
(In)directe rede
Directe rede: je schrijft woord voor woord op wat iemand zegt (citaat) - aanhalingstekens
Vader zei: 'Ik zet de vuile borden wel in de vaatwasser.'
Indirecte rede: je schrijft iemands woorden niet letterlijk op -
geen aanhalingstekens
Vader zei dat hij de vuile borden wel in de vaatwasser zou zetten.'
Let op onderwerp en gezegde
Slide 10 - Slide
Aanhalingstekens (blz. 184)
Je gebruikt aanhalingstekens als je de directe rede gebruikt. Je citeert.
Om het citaat zelf zet je aanhalingstekens.
Je kondigt het citaat aan met een dubbele punt.
- Hij zei: 'Vanmiddag om vier uur gaan we terug.'
Als het citaat vooropstaat, gebruik je geen dubbele punt:
- 'Vanmiddag om vier uur gaan we terug', zei hij.
Slide 11 - Slide
Zelfstandig werken
1. Bekijk jouw oefen spannende verhaal en stel eventuele vragen, verbeter alle interpunctie en hoofdletterfoutjes en lever jouw verhaal opnieuw bij Opdrachten in Magister in (zonder hulp!)
2. Maak het oefenmateriaal interpuntie, hoofdletters, en directe en indirecte rede. Neem zo nodig de theorie door van H1 Spelling, H1 Formuleren en H6 Spelling
Slide 12 - Slide
Slide 13 - Slide
Voorbereiding toets (welke theorie leren/oefenen)
- de criteria voor spanning die we in de klas hebben opgesteld
- H1 Spelling, H1 Formuleren en H6 Spelling
- H1, H2, H3 en H4 Werkwoordspelling
Slide 14 - Slide
Tijdens de toets
- Lees de opdracht goed door en zorg dat je alle eisen verwerkt
- Maak eerst een schrijfplan: wie (over wie gaat het verhaal en hebben personages bijzondere kenmerken), waar (speelt het verhaal zich af), wanneer, wat (gebeurt er in het verhaal) en zijn er nog voorwerpen die een rol gaan spelen. welke criteria voor spanning wil je op welke plaats in je verhaal verwerken?