Module 6 grammatica

Module 6 grammatica
1 / 20
next
Slide 1: Slide
FransLager onderwijs

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes and text slide.

Items in this lesson

Module 6 grammatica

Slide 1 - Slide

aller of venir?
Je ............... à la classe.

Slide 2 - Open question

aller of venir?
Tim .......... du cinéma.

Slide 3 - Open question

aller of venir?
Nous ........... de l'école.

Slide 4 - Open question

Vous ............... aux toilettes.
A
venez
B
allez

Slide 5 - Quiz

Tu vas ................ supermarché.
A
du
B
de la
C
à la
D
au

Slide 6 - Quiz

Ella et Jean .................. du magasin.
A
va
B
vient
C
vont
D
viennent

Slide 7 - Quiz

Vul de juiste vorm van "pouvoir" in.
Vous ................ un peu de chocolat.

Slide 8 - Open question

Vul de juiste vorm van vouloir in.
Julie et Thomas ................ une pomme.

Slide 9 - Open question

Vul de juiste vorm van 'pouvoir' in.
Je ................ une tartine?

Slide 10 - Open question

Vul juist aan.
Je viens ............... ferme.
A
à la
B
du
C
de la
D
au

Slide 11 - Quiz

Vul aan met het juiste vraagwoord.
............ va à vélo?
A
quand
B
qui
C
combien
D

Slide 12 - Quiz

Vul aan met het juiste vraagwoord.
Tu as ..................... d'animaux?
A
combien
B
comment
C
pourqoui

Slide 13 - Quiz

Vul aan met het juiste vraagwoord.
Tu es triste .....................?
A
combien
B
quoi
C
pourquoi
D
comment

Slide 14 - Quiz

Vul aan met de juiste vorm van 'aller'.
Elles .............. au magasin.

Slide 15 - Open question

Welke zin is juist vertaald?
Elle vient de la rue.
A
Hij komt uit de straat.
B
Zij gaat naar de straat.
C
Ik kom uit de straat.
D
Zij komt uit de straat.

Slide 16 - Quiz

Vertaal de zin.
Wij willen een wortel.

Slide 17 - Open question

Vertaal de zin.
Zij wilt een hond.

Slide 18 - Open question

Vertaal de zin.
Vous aimez les lapins et les poules.

Slide 19 - Open question

Vul juist aan.
Elle vient .......... supermarché.
A
du
B
au
C
de la
D
à la

Slide 20 - Quiz