Journaal: quiz 25, 26, 27 maart 2025 (met wisbordje)

Journaal: quiz
Dinsdag 25 maart tot en met donderdag 27 maart 2025
1 / 19
next
Slide 1: Slide
NT2Middelbare schoolvmbo bLeerjaar 1

This lesson contains 19 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Journaal: quiz
Dinsdag 25 maart tot en met donderdag 27 maart 2025

Slide 1 - Slide

Doelen
1) Je kunt bij een onderwerp de correcte woorden noemen.
2) Je kunt bij een onderwerp een samenvatting geven van maximaal vier zinnen.
3)  Je kunt respectvol samenwerken in een groepje.​

Slide 2 - Slide

Samenwerken
1)   Kies een voorzitter.​
2)  Kies een leerling die de antwoorden opschrijft.​
3)  Kijk naar de foto.​
4)  Lees mee als de docent voorleest.​
5)  Denk een halve minuut in stilte na.​
6)  Noem één woord als de voorzitter je naam noemt.​ Kies zelf een nummer.
7)  Praat samen over het woord.
8)  Schrijf het woord op bij het goede nummer.

Slide 3 - Slide

Taken van de voorzitter
1)   Geef eerst een beurt aan een leerling​,
      die nog niet zo lang in de isk zit.​
2)  Zorg ervoor dat alle leerlingen om de ​beurt
      een woord kunnen noemen. ​
3)  Zorg ervoor dat alle leerlingen meedoen.​

Slide 4 - Slide

Wat kan de voorzitter zeggen?
.... is aan de beurt.
…, jij bent aan de beurt.​​
…, wat denk jij?​
…, denk jij dat ook?​
..., ben je het ermee eens?

Slide 5 - Slide

Wat kun je zeggen?
Ik denk dat ook.​
Ik denk dat het goed is.​
Ik ben het ermee eens.
Ik denk dat het niet goed is.​
Ik ben het er niet mee eens.
Ik denk dat het ….. is.​

Slide 6 - Slide

Spelregels
1)   Voor elk goed antwoord krijgt een groepje
      één punt.​
2)  Het groepje met de meeste punten heeft
      gewonnen.​

Slide 7 - Slide

Doel: je kunt een passend woord noemen.
Het reizen met het 1) o__ v__ (ov) wordt in 2026 waarschijnlijk 2) d__. En sommige buslijnen gaan misschien 3)v__. De reden is dat de regering wil 4)b__. Bedrijven in het ov krijgen dan 5)m__ geld van de 6)r__. Het ov heeft al jaren te maken met stijgende 7)k__ en dalende 8)i__. Dus de 4)b__ zijn een groot probleem voor het ov.

Slide 8 - Slide

Antwoorden
Het reizen met het 1)openbaar vervoer (ov) wordt in 2026 waarschijnlijk 2)duurder. En sommige buslijnen gaan misschien 3)verdwijnen. De reden is dat de regering wil 4)bezuinigen. Bedrijven in het ov krijgen dan 5)minder geld van de 6)regering. Het ov heeft al jaren te maken met stijgende 7)kosten en dalende 8)inkomsten. Dus de 4)bezuinigingen zijn een groot probleem voor het ov.

Slide 9 - Slide

Doel: je kunt een passend woord noemen.
Gemeenten in Nederland maken zich 1)z__. In 2026 krijgen ze veel minder geld van de regering, want die moet 2)b__. Gemeenten hebben veel geld nodig, omdat ze veel moeten 3)r__, bijvoorbeeld 4)h__ voor jongeren met problemen of onderhoud van 5)g__, zoals scholen. Gemeenten kunnen in 2026 niet alles meer 6)b__.  Dat betekent dat ze 7)k__ moeten maken. Wethouders hebben woensdag 8)g__.

Slide 10 - Slide

Antwoorden
Gemeenten maken zich 1)zorgen. In 2026 krijgen ze veel minder geld van de regering, want die moet 2)bezuinigen. Gemeenten hebben veel geld nodig, omdat ze veel moeten 3)regelen, bijvoorbeeld 4)hulp voor jongeren met problemen of onderhoud van 5)gebouwen. Ze kunnen in 2026 niet alles meer 6)betalen.  Dat betekent dat ze 7)keuzes moeten maken. Wethouders hebben woensdag 8)geprotesteerd.

Slide 11 - Slide

Vragen?
Heb je nog vragen?

Slide 12 - Slide

Terugkijken naar de doelen
1)  Je kunt bij een onderwerp een samenvatting geven van maximaal vier zinnen.
2) Je kunt respectvol samenwerken in een groepje.​

Opdracht
Geef een samenvatting van maximaal vier zinnen.
Denk hier eerst in stilte over na (halve minuut).

Slide 13 - Slide

Ik heb alle afleveringen van het Jeugdjournaal minimaal één keer bekeken.
A
nee
B
ja

Slide 14 - Quiz

Ik kan bij elk onderwerp minimaal één woord noemen.
A
nee
B
ja

Slide 15 - Quiz

Ik kan bij een onderwerp een zin maken.
A
Ik kan het een beetje.
B
Ik kan het goed.

Slide 16 - Quiz

Ik kan bij een onderwerp een samenvatting van maximaal vier zinnen geven.
A
Ik kan het een beetje.
B
Ik kan het goed.

Slide 17 - Quiz

Ik kan respectvol samenwerken in een groepje.
A
Ik kan het een beetje.
B
Ik kan het goed.

Slide 18 - Quiz

Ik vind het leuk om in een groepje de quiz van het jeugdjournaal te doen.
A
ja
B
nee

Slide 19 - Quiz