beeldspraak


- Uitleg beeldspraak (vergelijking)
1 / 13
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

This lesson contains 13 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson


- Uitleg beeldspraak (vergelijking)

Slide 1 - Slide

Lesdoelen



Je leert wat beeldspraak is en kent aan het eind van de les de volgende vormen:

- vergelijking, metafoor, personificatie en metonymia


Slide 2 - Slide

Waar denk je aan bij
beeldspraak?

Slide 3 - Mind map

Slide 4 - Slide

Beeldspraak

Figuurlijk taalgebruik = alles wat niet letterlijk bedoeld wordt


De bomen fluisteren je naam.

Je kamer lijkt wel een zwijnenstal!

Hij liep naar school met lood in zijn schoenen.

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Video

Bedenk zelf een voorbeeld van beeldspraak.

Slide 7 - Open question

Beeldspraak - vergelijking (hv)

Je vergelijkt de werkelijkheid met een beeld.


- Vergelijking met als (zoals, alsof)

- Vergelijking zonder als


Er is een overeenkomst tussen twee zaken.

Lachen als een boer die kiespijn heeft.

Je kamer lijkt wel een zwijnenstal!



Slide 8 - Slide

Beeldspraak - metafoor (hv)

Alleen het beeld is overgebleven.


- uitdrukkingen en gezegdes

- de context is belangrijk, want anders weet je niet waarmee het vergeleken wordt


Dat schaap heeft zich laten beetnemen.




Slide 9 - Slide

Beeldspraak - personificatie (hv)

Levenloze dingen of voorwerpen krijgen menselijke eigenschappen.


Roken heeft zijn hart veroverd.

De bomen fluisteren je naam.




Slide 10 - Slide

Beeldspraak - metonymia (hv)

Bij een vergelijking of metafoor is het verband tussen de werkelijkheid en het beeld gebaseerd op een overeenkomst.

Bij een metonymia is het gebaseerd op een verband:

- deel-geheel                          Het dak gaat eraf!

- maker-voorwerp                 In het Rijksmuseum hangt een mooie Rembrandt aan de muur,

- oorzaak-gevolg                   Ze heeft haar tong verloren.

- voorwerp-inhoud                Zullen we een glaasje drinken?

- plaats-bewoners                 Utrecht heeft de voetbalwedstrijd gewonnen van Rotterdam.

- plaats-aanwezigen            De school gaat een dagje naar de Efteling.



Slide 11 - Slide

Slotopdracht 


Zoek op internet vijf voorbeelden van beeldspraak op, noteer het soort beeldspraak en de betekenis.



Slide 12 - Slide


Slide 13 - Open question