NK, Kapitel 9, les 5, week 12, pers.vnw in 3e naamval

Willkommen,
heute ist Montag
der 23. Oktober 
Willkommen,
heute ist Donnerstag
der 20. März 2025
1 / 24
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolmavo, havoLeerjaar 1,2

This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 40 min

Items in this lesson

Willkommen,
heute ist Montag
der 23. Oktober 
Willkommen,
heute ist Donnerstag
der 20. März 2025

Slide 1 - Slide

Lernziel(e)
1. Je weet wat een persoonlijk voornaamwoord is en wat het betekent als deze in de 3e naamval staat.
2. Je kunt vragen en antwoorden bedenken met het onderwerp inkopen doen. 

Slide 2 - Slide


Studiewijzer periode 2

Slide 3 - Slide

Programma:
Deel 1:
* (Herhaling) nieuwe grammatica
* huiswerk nakijken
* zelfstandig aan het werk

Deel 2:
* Sprachmittel Kapitel 
* zelfstandig werken

Slide 4 - Slide

Was haben wir in der letzten Stunde gemacht?
Was haben wir in der letzten Stunde gemacht?

Slide 5 - Slide

Huiswerk nakijken
1. Maak van Kapitel 9, E, Grammatik, Aufg. 18, 19, 21 boek
2. F, Sprechen, Aufg. 31 online
3. Leren: Lernliste NL-DU (Seite 132-133)

Slide 6 - Slide

Aufgabe 18

Slide 7 - Slide

Aufgabe 19

Slide 8 - Slide

Aufgabe 21

Slide 9 - Slide

Het persoonlijk voornaamwoord in de derde naamval

Slide 10 - Slide

Het persoonlijk voornaamwoord:
vervangt een persoon, personen, dieren of voorwerpen

de man = hij
Marieke = zij
mijn ouders = zij  mv



Slide 11 - Slide

Het persoonlijk voornaamwoord
1e naamval (onderwerp)
Nederlands                                               Duits
ik                                                                   ich
jij                                                                   du
hij/zij/het                                                  er/sie/es
wij                                                                wir
jullie                                                            ihr
zij/U                                                            sie/Sie
wie                                                              wer



Slide 12 - Slide

voorzetsels die de 3e naamval  krijgen:
aus                         uit
bei                          bij
mit                         met
nach                     naar (bij steden, landen)
seit                        sinds
von                        van / door (bij personen)
zu                          naar (bij personen)



Slide 13 - Slide

Slide 14 - Slide

Het persoonlijk voornaamwoord
3e naamval  (meewerkend voorwerp)
1e naamval         3e naamval 
ich                          mir
du                           dir
er                            ihm
sie                           ihr
es                             ihm
wir                           uns
 ihr                           euch
sie/Sie                     ihnen/Ihnen
wer                          wem
"met jij is het altijd leuk"
-> met jou = meewerkend voorwerp, 
in het Duits: Mit du -> mit dir

Slide 15 - Slide

Zelfstandig aan het werk
1. Maak van Kapitel 9, E Grammatik
    Aufgabe  22, 23, 24, 26 en 27
2. Klaar?  Leer de grammatica via slim stampen




Slide 16 - Slide

Zelfstandig aan het werk: K8
1. Maak van Kapitel 8, A Sehen
    Aufgabe 1 + 2 online
2. Maak van Kapitel 8, B Wortschatz
    Aufgabe 3, 4, 5, 6, 7, 10\
3. Schrijf de woorden van K8 Niederländisch -Deutsch linker      kolom in je schrift (de laars t/m moeten)





Slide 17 - Slide

Deel 2 : Samenwerkingsopdrachten
Aufgabe 33 
1. Vertaal de vragen, schrijf deze in je schrift.
2. Formuleer een antwoord, schrijf deze in je schrift
3. Voer het gesprek, wissel daarna de rollen.

Aufgabe 34
1. Verbind de juiste zinnen met elkaar.
2. Bedenk een vraag bij het antwoord van A 
3
Samenwerkingopdrachten

Aufgabe 33
1. Vertaal de vragen, schrijf deze in je schrift.
2. Formuleer een antwoord, schrijf deze in je schrift
3. Voer het gesprek, wissel daarna de rollen.

Aufgabe 34
1. Verbind de juiste zinnen met elkaar.
2. Bedenk een vraag bij het antwoord van A
3. Voer het gesprek, wissel daarna de rollen.

Slide 18 - Slide

Deel 2 : Samenwerkingsopdrachten
Aufgabe 33 
1. Vertaal de vragen, schrijf deze in je schrift.
2. Formuleer een antwoord, schrijf deze in je schrift
3. Voer het gesprek, wissel daarna de rollen.

Aufgabe 34
1. Verbind de juiste zinnen met elkaar.
2. Bedenk een vraag bij het antwoord van A 
3
Samenwerkingopdrachten

Aufgabe 37
1. Lees de opdracht goed.
2. Schrijf eerst jullie gesprek in je schrift (klant- verkoper)
3. Gebruik de Sprachmittel, Lernliste en het online woordenboek voor onbekende woorden.
4. Voer het gesprek.
5. Je moet de checklist volledig kunnen afvinken!!!!

Slide 19 - Slide

Zelfstandig aan het werk
1. Maak van Kapitel 9, E Grammatik
    Aufgabe  22, 23, 24 en 25
2. Maak van Kapitel 9, F Sprechen
    Aufgabe 29, 30, 31, 32
3. Klaar?  Leer de woorden van K9 via
    Study-go of slim stampen. 





Slide 20 - Slide

Hausaufgaben
1. Maak van Kapitel 9, E Grammatik
  Aufg. 22, 23, 24, 26, 27 boek
2. leren Lernliste NL-DU (Seite 132-133) +  Grammatica K9







Slide 21 - Slide

Kijk nu terug naar de lesdoelen:
1. Je weet wat een persoonlijk voornaamwoord is en wat het betekent als deze in de 3e naamval staat.

2. Je kunt vragen en antwoorden bedenken met het onderwerp inkopen doen. 

Slide 22 - Slide

Hoe ver ben ik?
A
Ik snap alles.
B
Ik snap het een beetje.
C
Ik snap het niet.

Slide 23 - Quiz

Ben je goed voorbereid voor de toets van Kapitel 6?
010

Slide 24 - Poll