NK, Kapitel 9, les 6, week 13,

Willkommen,
heute ist Montag
der 23. Oktober 
Willkommen,
heute ist Donnerstag
der 27. März 2025
1 / 41
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolmavo, havoLeerjaar 1,2

This lesson contains 41 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 40 min

Items in this lesson

Willkommen,
heute ist Montag
der 23. Oktober 
Willkommen,
heute ist Donnerstag
der 27. März 2025

Slide 1 - Slide

Lernziel(e)
1. Je weet hoe je een eenvoudig bericht kunt schrijven.

Slide 2 - Slide

Programma:
Deel 1:
* (Herhaling) nieuwe grammatica
* huiswerk nakijken
* zelfstandig aan het werk

Deel 2:
* zelfstandig werken

Slide 3 - Slide

Was haben wir in der letzten Stunde gemacht?
Was haben wir in der letzten Stunde gemacht?

Slide 4 - Slide

Het persoonlijk voornaamwoord:
vervangt een persoon, personen, dieren of voorwerpen

de man = hij
Marieke = zij
mijn ouders = zij  mv



Slide 5 - Slide

Het persoonlijk voornaamwoord
1e naamval (onderwerp)
Nederlands                                               Duits
ik                                                                   ich
jij                                                                   du
hij/zij/het                                                  er/sie/es
wij                                                                wir
jullie                                                            ihr
zij/U                                                            sie/Sie
wie                                                              wer



Slide 6 - Slide

Welke voorzetsels met de 3e naamval kennen jullie?

Slide 7 - Slide

voorzetsels die de 3e naamval  krijgen:
aus                         uit
bei                          bij
mit                         met
nach                     naar (bij steden, landen)
seit                        sinds
von                        van / door (bij personen)
zu                          naar (bij personen)



Slide 8 - Slide

Het persoonlijk voornaamwoord
3e naamval  (meewerkend voorwerp)
1e naamval         3e naamval 
ich                          mir
du                           dir
er                            ihm
sie                           ihr
es                             ihm
wir                           uns
 ihr                           euch
sie/Sie                     ihnen/Ihnen
wer                          wem
"met jij is het altijd leuk"
-> met jou = meewerkend voorwerp, 
in het Duits: Mit du -> mit dir

Slide 9 - Slide

Huiswerk nakijken
1. Maak van Kapitel 9, E Grammatik
  Aufg. 22, 23, 24, 26, 27 boek
2. leren Lernliste NL-DU (Seite 132-133) + Grammatica K9

Slide 10 - Slide

Aufgabe 18

Slide 11 - Slide

Aufgabe 19

Slide 12 - Slide

Aufgabe 21

Slide 13 - Slide

Aufgabe 22

Slide 14 - Slide

Aufgabe 23

Slide 15 - Slide

Aufgabe 24

Slide 16 - Slide

Aufgabe 26

Slide 17 - Slide

Aufgabe 27

Slide 18 - Slide

Aufgabe 27

Slide 19 - Slide

Aufgabe 27

Slide 20 - Slide

Herhaling grammatica

Slide 21 - Slide

Wat is 'hij' in de derde naamval?
A
mir
B
uns
C
ihm
D
ihr

Slide 22 - Quiz

Wat is 'wij' in de derde naamval?
A
ihnen
B
euch
C
uns
D
Ihnen

Slide 23 - Quiz

Wat is 'jij' in de derde naamval?
A
wem
B
ihr
C
mir
D
dir

Slide 24 - Quiz

Wat is 'ik' in de derde naamval?
A
mir
B
euch
C
ihr
D
ihnen

Slide 25 - Quiz

Wat is 'jullie' in de derde naamval?
A
Ihnen
B
euch
C
wem
D
ihm

Slide 26 - Quiz

Wat is 'u' in de derde naamval?
A
ihnen
B
euch
C
uns
D
Ihnen

Slide 27 - Quiz

Vertaal de voorzetsels 
met
uit
van, door
bij
sinds
na, naar
naar (bij personen)
mit
nach
bei
seit
zu
aus
von

Slide 28 - Drag question

We hebben twee vertalingen voor 'naar': zu of nach. Welke gebruiken we als we willen zeggen dat we naar iemand toe willen gaan?
Voorbeeld: Ich gehe zu dir of Ich gehe nach dir?
A
zu dir
B
nach dir

Slide 29 - Quiz

Na "aus" verandert "ich" in...

Slide 30 - Open question

Jona ist nach ...(ons) an der Reihe.

Slide 31 - Open question

Wir haben das von ...(u) bekommen.
A
Ihnen
B
ihnen
C
sie
D
euch

Slide 32 - Quiz

Welke hoort er niet bij?
A
Durch
B
Bei
C
Nach
D
Zu

Slide 33 - Quiz

Ich mache den Kuchen bei ... (haar)
A
sie
B
ihm
C
ihr
D
ihnen

Slide 34 - Quiz

Na "mit" verandert "er" in ...

Slide 35 - Open question

Deel 2
Sprechfertigkeit üben


Slide 36 - Slide

Deel 2 : Samenwerkingsopdrachten
Aufgabe 33 
1. Vertaal de vragen, schrijf deze in je schrift.
2. Formuleer een antwoord, schrijf deze in je schrift
3. Voer het gesprek, wissel daarna de rollen.

Aufgabe 34
1. Verbind de juiste zinnen met elkaar.
2. Bedenk een vraag bij het antwoord van A 
3
Samenwerkingopdrachten

Aufgabe 37
1. Lees de opdracht goed.
2. Schrijf eerst jullie gesprek in je schrift (klant- verkoper)
3. Gebruik de Sprachmittel, Lernliste en het online woordenboek voor onbekende woorden.
4. Voer het gesprek.
5. Je moet de checklist volledig kunnen afvinken!!!!

timer
10:00

Slide 37 - Slide

Zelfstandig aan het werk
1. Maak van Kapitel 9, G Schreiben
    Aufgabe  39, 40, 41, in je boek 
2. Maak van Kapitel 9, G Scheiben 
    Aufgabe 42 online   (dit soort opdracht ook in je toets)!!!
2. Klaar?  Leer de woorden van K9 via
    slim stampen. 





Slide 38 - Slide

Hausaufgaben
1. Maak van Kapitel 9, G Schreiben
    Aufgabe 39, 40, 41, in je boek
2. Maak van Kapitel 9, G Scheiben
    Aufgabe 42 online (dit soort opdracht ook in je toets)!!!
3. Maak je 2 gesprekken in de winkel af volgens opdracht 37.
4. Leren: Lernliste NL-DU (Seite 132-133) + DU-NL 
5. Leren: Grammatica A +B





Slide 39 - Slide

Kijk nu terug naar de lesdoelen:

Je weet wat een persoonlijk voornaamwoord is en wat het betekent als deze in de 3e naamval staat.

Slide 40 - Slide

Hoe ver ben ik?
A
Ik snap alles.
B
Ik snap het een beetje.
C
Ik snap het niet.

Slide 41 - Quiz