Gr. Ln. 3GTL 6e ed. / Chap 2 / EFGH / Oefenles

1 / 26
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolvmbo t, mavoLeerjaar 3

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Welk woord hoort er niet bij?
A
faire les devoirs
B
faire les courses
C
faire du fitness
D
aller en ville

Slide 2 - Quiz

Hoe vertaal je "boeiend" in het Frans?
A
pas mal
B
passionnant(e)
C
nul(le)
D
ennuyeux

Slide 3 - Quiz

Wat betekent "tout le monde"?
A
verplicht
B
uitleggen
C
spannend
D
iedereen

Slide 4 - Quiz

Wat betekent 'voter'?
A
bang zijn
B
stemmen
C
ongewoon
D
uitleggen

Slide 5 - Quiz

Welk woord hoort er niet bij?
A
passionnant(e)
B
à l'avance
C
intéressant(e)
D
terrible

Slide 6 - Quiz

Wat betekent 'l'écran'?
A
het gereedschap
B
de waarde
C
de toeschouwer
D
het scherm

Slide 7 - Quiz

Wat betekent "ça marche"?
A
niet slecht
B
dat werkt
C
het hangt af (van)
D
belangrijkste

Slide 8 - Quiz

Hoe zeg je "de toeschouwer" in het Frans?
A
l'occasion
B
la valeur
C
le spectateur
D
le furieux

Slide 9 - Quiz

'à l'avance' betekent .......

Slide 10 - Open question

'pas mal' betekent .......

Slide 11 - Open question

'malheureux' betekent .......

Slide 12 - Open question

'insolite' betekent .......

Slide 13 - Open question

Hoe vertaal je "Ik maak af"in het Frans?
A
je fini
B
je finit
C
j'ai fini
D
je finis

Slide 14 - Quiz

Hoe vertaal je "wij denken na"in het Frans?
A
nous réfléchions
B
nous réfléchissez
C
nous réfléchissons
D
nous avons réfléchi

Slide 15 - Quiz

Hoe vertaal je "zij zijn gegroeid" in het Frans?
A
ils ont grandi
B
ils grandissent
C
Ils grandient
D
ils sont grandi

Slide 16 - Quiz

Hoe vertaal je "wij hebben gekozen" in het Frans?
A
nous choisissons
B
nous avons choisis
C
nous choisissions
D
Nous avons choisi

Slide 17 - Quiz

Vertaal in het Frans:
Wat vind je leuk om te doen?

Slide 18 - Open question

Vertaal in het Frans:
Ik vind het leuk om te sporten.

Slide 19 - Open question

Vertaal in het Frans:
omdat ik sportief (man.) ben.

Slide 20 - Open question

Vertaal in het Frans:
ik heb een hekel aan mijn kamer opruimen.

Slide 21 - Open question

Schrijf het werkwoord in de présent.
Elle __________ (choisir) ce cadeau.
A
choisi
B
choisit
C
choisis
D
choisissent

Slide 22 - Quiz

Schrijf het werkwoord in de présent.
Vous __________ (remplir) le formulaire?
A
rempliez
B
avez rempli
C
remplissez
D
remplissons

Slide 23 - Quiz

Schrijf het werkwoord in de passé composé.
Nous ______ ________ (finir).
A
avons finis
B
avons fini
C
sommes fini
D
finissons

Slide 24 - Quiz

Schrijf het werkwoord in de passé composé.
Je / j'______ ________ (réussir).
A
ai réussis
B
je suis réussi
C
ai réussit
D
ai réussi

Slide 25 - Quiz

Tu as encore des questions?

Slide 26 - Slide