Lezen 6. Feiten, meningen en argumenten

Echt waar, denk ik, vind ik!
Feiten, meningen en argumenten.
1 / 30
next
Slide 1: Slide
NederlandsPraktijkonderwijsLeerjaar 1,2

This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Echt waar, denk ik, vind ik!
Feiten, meningen en argumenten.

Slide 1 - Slide

Doel van de les
- je weet wat een feit is 
- je weet wat een mening is 
- je weet wat een argument is

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Feiten
- Kun je bewijzen of controleren.

- Kun je opzoeken.
- Iets wat zeker is gebeurd of dat echt waar is.
- Een ander kan hier niet anders over denken.
- Het is zo.





Slide 5 - Slide

Voorbeelden van feiten

- Het is 13 graden buiten. 

- Het is vandaag vrijdag. 

- De televisie kost €800.

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Slide

Meningen
- Geven aan wat jij vindt. 
- Een ander kan hier heel anders over denken.

- Je gedachte ergens over.
- Met een mening kun je het eens of oneens zijn.
- Een mening kun je onderbouwen met argumenten.


Slide 8 - Slide

Voorbeelden van meningen

- De trui van Nienke vind ik mooi. 

- Ik vind die televisie erg duur. ​

- De vakantie duurt veel te kort.

Slide 9 - Slide

Met een argument vertel je waarom jij iets vind of denkt. 

Slide 10 - Slide

Argumenten
- Een reden

- Uitleg waarom je iets vindt.
- Kun je herkennen aan de woorden: omdat en want.


Slide 11 - Slide

Voorbeelden van argumenten

- Ik vind die televisie erg duur, want hij kost €800. 

- Ik vind oranje een mooie kleur, want ik voel me blij als ik het zie. 

- Ik ben morgen niet op school, omdat ik naar de tandarts moet.

Slide 12 - Slide

Feit: Deze jongen draagt een rood shirt.
Mening: Ik vind rood een mooie kleur.
Argument: Ik vind rood een mooi kleur, omdat ik dan moet denken aan de liefde. 

Feit: Deze jongen draagt een rood shirt.

Mening: Ik vind rood een mooie kleur.

Argument: Ik vind rood een mooie kleur, omdat ik dan moet denken aan de liefde.

Slide 13 - Slide

Slide 14 - Slide

Deze appel is rood.

Mening of feit?
A
Mening
B
Feit

Slide 15 - Quiz

Een rode appel is lekkerder dan een groene.

Mening of feit?
A
Mening
B
Feit

Slide 16 - Quiz

Er staan vier kinderen op de foto.

Feit of mening?
A
Feit
B
Mening

Slide 17 - Quiz

Het blonde meisje heeft mooi haar.

Feit of mening?
A
Feit
B
Mening

Slide 18 - Quiz

Morgen moet ik naar de tandarts.
A
Feit
B
Mening

Slide 19 - Quiz

Je moet je melden, als je te laat bent.
A
Feit
B
Mening

Slide 20 - Quiz

Sterke en zwakke argumenten.

Slide 21 - Slide

Stelling 1:
Social media moet verboden worden voor mensen onder de 18.

Slide 22 - Slide

Eens of oneens?


Eens
Oneens

Slide 23 - Poll

Geef je argument.

Waarom ben je het eens of oneens met de stelling?

Slide 24 - Open question

Geef je argument.

Waarom ben je het eens of oneens met de stelling?

Slide 25 - Open question

Alles op een rijtje
Feiten, meningen en argumenten. 

Slide 26 - Slide

Feit
Feiten zijn echt waar. 
Je kunt ze bewijzen. 

Bijvoorbeeld: 
Het regent buiten. Kijk maar door het raam. Je ziet de druppels. 


Slide 27 - Slide

Mening
Bij een mening zegt iemand wat hij ervan vindt. 
Je kunt het niet bewijzen. 
Iemand kan er anders over denken.

Bijvoorbeeld:
Ik vind het warm vandaag. Mijn vriend vind het koud. 




Slide 28 - Slide

Argument
Met een argument geef je aan waarom je iets vind. 
Je kan anderen ermee overtuigen van jouw mening. 

Bijvoorbeeld: 
Ik houd mij aan de afspraken, omdat ik het fijn vind als anderen dat ook doen.  











Slide 29 - Slide

Studiemeter - Via Vervolg
Thema 3 luisteren: feit & mening
Thema 6 lezen: mening & argumenten

Slide 30 - Slide