3.8 Grammatica - les 2

Welkom!
1 / 28
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 28 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Welkom!

Slide 1 - Slide

Doelen
-Ik kan alle woorden benoemen in een zin.
-Ik kan het voltooid deelwoord correct spellen.
-Ik kan het tegenwoordig deelwoord correct spellen.
-Ik kan samenstellingen op de juiste manier spellen.

Slide 2 - Slide

Wat gaan we doen?
-Terugblik woordsoorten
-Begin maken met 3.9 Grammatica

Slide 3 - Slide

Woordsoorten

Slide 4 - Slide

Veel mensen willen later arts worden.

Veel
A
onbepaald hoofdtelwoord
B
zelfstandig naamwoord
C
bijwoord
D
bijvoeglijk naamwoord

Slide 5 - Quiz

Telwoorden
Bepaald hoofdtelwoord: één, drie, twintig, honderdvijftig
Onbepaald hoofdtelwoord: veel, enkele, sommige

Bepaald rangtelwoord: eerste, derde, twintigste, hondervijftigste
Onbepaald rangtelwoord: zoveelste, middelste, laatste, volgende

Slide 6 - Slide

Veel mensen willen later arts worden.

mensen
A
lidwoord
B
hulpwerkwoord
C
zelfstandig naamwoord
D
persoonlijk voornaamwoord

Slide 7 - Quiz

Zelfstandig naamwoord
Zelfstandig naamwoord -> geeft een naam aan zelfstandige dingen

-namen van mensen, dieren en dingen:  Daniël, Woezel, Volvo, Groningen
-woorden voor concrete zaken: chocola, huis, dier, verf, e-mail
-woorden voor abstracte zaken: angst, liefde, overwinning, verdriet, succes

Slide 8 - Slide

Persoonlijk voornaamwoord
Verwijst naar levende zaken of wezens, zonder die verder bij naam te noemen:
  • ik
  • zij
  • jij
  • hen
  • wij
  • ...

Slide 9 - Slide

Veel mensen willen later arts worden.

willen
A
koppelwerkwoord
B
hulpwerkwoord
C
vragend voornaamwoord
D
wederkerend werkwoord

Slide 10 - Quiz

Werkwoorden
Koppelwerkwoorden (ZIJN): 
zijn, worden, schijnen, lijken, blijken, blijven, heten, dunken, voorkomen
Zelfstandige werkwoorden (DOEN):
werken, koken, lopen, fietsen, zwemmen, lezen, slapen
Hulpwerkwoorden:
de werkwoorden die helpen om tot een complete zin te komen (ik heb geslapen, mijn oma zit te lezen, mijn zus wordt opgehaald, ...)
Wederkerende werkwoorden:
zich vermaken, zich vergissen, zich wassen

Slide 11 - Slide

Veel mensen willen later arts worden.

later
A
bezittelijk voornaamwoord
B
bijwoord
C
bijvoeglijk naamwoord
D
zelfstandig naamwoord

Slide 12 - Quiz

Bijwoord
Het zegt iets over een willekeurig ander element van de zin dat geen zelfstandig naamwoord is (meestal ww, bvnw of nwg):
  • Wat schrijf je netjes!
  • Ik ben erg moe.
  • De buren hebben een heel mooi huis.

Geven plaats of tijd aan in de zin: altijd, daar, vanavond


Slide 13 - Slide

Veel mensen willen later arts worden.

arts
A
persoonlijk voornaamwoord
B
zelfstandig naamwoord
C
bijvoeglijk naamwoord
D
bepaald rangtelwoord

Slide 14 - Quiz

Veel mensen willen later arts worden.

worden
A
hulpwerkwoord
B
wederkerend werkwoord
C
zelfstandig werkwoord
D
koppelwerkwoord

Slide 15 - Quiz

Slide 16 - Slide

Slide 17 - Slide

3.9 Spelling
Maken opdracht 1 in je boek (blz 223)

Slide 18 - Slide

Werkwoordspelling
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Slide

Slide 21 - Slide

Tegenwoordig deelwoord
Het tegenwoordig deelwoord geeft aan dat de handeling nog niet voorbij is. Je vormt het door -d achter de infinitief te plaatsen:
Gierend van het lachen kwamen de leerlingen het gymlokaal binnen.
• De katten vlogen elkaar hevig miauwend in de haren.

Het tegenwoordig deelwoord kun je vervangen door een bijzin met ‘terwijl’:
• De vriendinnen sloten elkaar huilend in de armen.
Terwijl ze huilden, sloten de vriendinnen elkaar in de armen.

Slide 22 - Slide

Samenstellingen
Tussen -e
Tussen -s

Slide 23 - Slide

Samenstellingen
Samenstelling: twee of meer losse woorden die aan elkaar zijn geplakt
                                 stoelpoot, telefoonoplader, tafelkleed, deurbelverkoper

Tussen -s:  gebruik een tussen -s als je die hoort
                        dorpsfeest, stationsplein, machtsvertoon

                        Twijfel? -> vervang het tweede woord door 'feest'
                         varkensstal/varkenstal? -> varkensfeest -> dus: varkensstal


Slide 24 - Slide

Samenstellingen
Tussen-(e)n:  gebruik een tussen-(e)n als het eerste deel van de  
                            samenstelling een meervoud op -(e)n heeft.
                            eik -> eiken -> eikenboom



Slide 25 - Slide

Slide 26 - Slide

Slide 27 - Slide

Huiswerk
Maken 3.9 opdr. 1, 4, 8, 9

Slide 28 - Slide