3.8 Grammatica - les 3

Welkom!
1 / 22
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Welkom!

Slide 1 - Slide

Doelen
-Ik kan alle woorden benoemen in een zin.
-Ik kan het voltooid deelwoord correct spellen.
-Ik kan het tegenwoordig deelwoord correct spellen.
-Ik kan samenstellingen op de juiste manier spellen.

Slide 2 - Slide

Wat gaan we doen?
-Terugblik werkwoordspelling + samenstellingen
-Zelfstandig werken

Slide 3 - Slide

(Werkwoord)spelling
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Samenstellingen

Slide 4 - Slide

even oefenen

Slide 5 - Slide

Tegenwoordig deelwoord

In welke zin is het tegenwoordig deelwoord goed gespeld?
A
Genietent van het landschap reden we door de bergen.
B
Genietend van het landschap reden we door de bergen.

Slide 6 - Quiz

Welk woord past op het stippellijntje?

De docent liep (zuchten) ... het lokaal uit.

Slide 7 - Open question

Wat past er op het stippellijntje?

(huilen) .... liep Jos naar huis.
A
huilen
B
huilent
C
huilend
D
gehuild

Slide 8 - Quiz

Noteer de juiste vorm van het voltooid deelwoord

(roken) Mijn vader heeft vroeger ...

Slide 9 - Open question

Welk woord is correct gespeld?
A
groentesoep
B
groentensoep

Slide 10 - Quiz

Welk woord is correct gespeld?
A
zonnebloem
B
zonnenbloem

Slide 11 - Quiz

Welk woord is correct gespeld?
A
pannekoeken
B
pannenkoeken

Slide 12 - Quiz

Welk woord is correct gespeld?
A
apentrots
B
apetrots

Slide 13 - Quiz

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Slide

Tegenwoordig deelwoord
Het tegenwoordig deelwoord geeft aan dat de handeling nog niet voorbij is. Je vormt het door -d achter de infinitief te plaatsen:
Gierend van het lachen kwamen de leerlingen het gymlokaal binnen.
• De katten vlogen elkaar hevig miauwend in de haren.

Het tegenwoordig deelwoord kun je vervangen door een bijzin met ‘terwijl’:
• De vriendinnen sloten elkaar huilend in de armen.
Terwijl ze huilden, sloten de vriendinnen elkaar in de armen.

Slide 16 - Slide

Samenstellingen
Tussen -(e)n
Tussen -s

Slide 17 - Slide

Samenstellingen
Samenstelling: twee of meer losse woorden die aan elkaar zijn geplakt
                                 stoelpoot, telefoonoplader, tafelkleed, deurbelverkoper

Tussen -s:  gebruik een tussen -s als je die hoort
                        dorpsfeest, stationsplein, machtsvertoon

                        Twijfel? -> vervang het tweede woord door 'feest'
                         varkensstal/varkenstal? -> varkensfeest -> dus: varkensstal


Slide 18 - Slide

Samenstellingen
Tussen-(e)n:  gebruik een tussen-(e)n als het eerste deel van de  
                            samenstelling een meervoud op -(e)n heeft.
                            eik -> eiken -> eikenboom



Slide 19 - Slide

Slide 20 - Slide

Slide 21 - Slide

Huiswerk
Maken 3.9 opdr. 1, 4, 8, 9

Slide 22 - Slide