Examenvragen: structuur van de tekst

Structuurvragen
Vragen die controleren of je de structuur van de tekst herkent. Ze kunnen gaan over: de inleiding, deelonderwerpen van de tekst, tekstrelaties en het slot.
1 / 24
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 4

This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Structuurvragen
Vragen die controleren of je de structuur van de tekst herkent. Ze kunnen gaan over: de inleiding, deelonderwerpen van de tekst, tekstrelaties en het slot.

Slide 1 - Slide

Vragen over de inleiding
Op welke manier leidt de schrijver de tekst in?

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Elke stad zijn wolkenkrabber (2009 II)
(1) Bijna elke week komt er een verdieping bij. Nog even en de
Boulevardtoren dichtbij het Enschedese stadshart nadert zijn
hoogste punt. Zijn negentig meter zal slechts een paar jaar de skyline van de voormalige textielstad in zijn eentje domineren. Als alles volgens plan verloopt, verrijst verderop een grotere broer van 120 meter. 

Slide 4 - Slide

Hoe wordt het onderwerp van de tekst 'Elke stad zijn wolkenkrabber' ingeleid?
A
met een korte geschiedenis over het onderwerp
B
met een korte samenvatting vooraf
C
met een mening van een deskundige over het onderwerp
D
met een voorbeeld van het onderwerp van de tekst

Slide 5 - Quiz

Op schoolkamp gaan er géén mobieltjes mee 
(2009 II tekst 4)
(1) Voor sommige ouders is het even schrikken als hun kind op schoolkamp gaat en het mobieltje thuis moet blijven. En de kinderen stappen met een ‘kaal’ gevoel de bus in, zo gewend zijn ze aan de voortdurende aanwezigheid. Toch zien steeds meer scholen er streng op toe dat de mobieltjes thuis blijven als de klas op kamp gaat. Er zijn zelfs scholen die de leerlingen
fouilleren voor vertrek.

Slide 6 - Slide

Op welke manier probeert de schrijfster in de eerste alinea de aandacht van de lezer te trekken?
A
ze geeft haar eigen mening over het behandelde probleem
B
ze noemt een aantal kanten van het onderwerp van de tekst
C
ze vermeldt de aanleiding voor het schrijven van dit artikel
D
ze zet de belangrijkste conclusie van haar artikel voorop

Slide 7 - Quiz

Vragen over deelonderwerpen (1)
Voorbeeldvraag: Welk kopje geeft het best de inhoud weer van alinea 3 t/m 5?

Het kopje moet over álle alinea’s gaan. Antwoorden die duidelijk maar over één of slechts een gedeelte van één alinea gaan, zijn fout en deze kun je dus wegstrepen.
 


Slide 8 - Slide

Vragen over deelonderwerpen (2)
Voorbeeldvraag: De tekst is te verdelen in drie delen met de volgende kopjes:
1. Zoveel mensen, zoveel smaken?
2. Onderzoek naar schoonheidsprincipes
3. Vernieuwing en meerwaarde
Bij welke alinea begint deel 2?   

Ga niet alleen op zoek naar de alinea die gaat over ‘onderzoeken naar schoonheidsprincipes’, maar kijk ook wat de laatste alinea is die het kopje ‘zoveel mensen, zoveel smaken?’ bespreekt.

 


Slide 9 - Slide

Vragen over deelonderwerpen (3)
Voorbeeldvraag: De alinea’s 4 en 5 hebben een gemeenschappelijk deelonderwerp.
Welk deelonderwerp hebben ze samen?

Let er goed op dat het antwoord bij beide genoemde alinea's moet passen.


Slide 10 - Slide

Wat is een deelonderwerp?
A
Het onderwerp van een tekst
B
Het onderwerp van een alinea
C
aspecten van het onderwerp

Slide 11 - Quiz

Wat zou een deelonderwerp kunnen zijn in een tekst over voetbal?
A
De verzorging van een konijn
B
Het tenue
C
Kruidentuin
D
Koffiebonen

Slide 12 - Quiz

Vragen over tekstrelaties
In elk examen worden vragen gesteld over het verband tussen alinea's: wat hebben de twee alinea's met elkaar te maken? 

Ook wordt soms gevraagd wat de functie is van een alinea.

Slide 13 - Slide

Slide 14 - Video

Wat is het verband tussen de volgende 2 zinnen?

Steeds meer mensen werken vanuit huis, omdat digitale communicatie steeds beter wordt. Hierdoor zijn fysieke vergaderingen minder vaak nodig en neemt het aantal automobilisten op de weg ook af.
A
Conclusie
B
Reden
C
Tegenstelling
D
Oorzaak-gevolg

Slide 15 - Quiz

Welk signaalwoord geeft het verband tussen de zinnen aan?

Steeds meer mensen werken vanuit huis, omdat digitale communicatie steeds beter wordt. Hierdoor zijn fysieke vergaderingen minder vaak nodig en neemt het aantal dagelijkse forenzen af.
A
Omdat
B
Hierdoor

Slide 16 - Quiz

tekst 1

Wat is het verband tussen de twee alinea’s?

A
De tweede alinea is een tegenstelling op de eerste alinea.
B
De tweede alinea is een voorbeeld bij de eerste alinea.
C
De tweede alinea is een aanvulling op de eerste alinea.
D
De tweede alinea trekt een conclusie uit de eerste alinea.

Slide 17 - Quiz

Noteer het signaalwoord uit tekst 2 (2e alinea) waaraan je dat kan zien.

Slide 18 - Open question

Tekst 2

Wat is het verband tussen de twee alinea’s?
A
De tweede alinea is een tegenstelling ten opzichte van de eerste alinea.
B
De tweede alinea is een voorbeeld bij de eerste alinea.
C
De tweede alinea is een herhaling van de eerste alinea.
D
De tweede alinea trekt een conclusie uit de eerste alinea.

Slide 19 - Quiz

Vul het signaalwoord in waaraan je dat kunt herkennen?

Slide 20 - Open question

Wat is de hoofdgedachte van tekst 3?
A
Fietsen wordt steeds populairder in steden en heeft veel voordelen.
B
Fietsen is gezonder dan autorijden.
C
Gemeenten zouden meer moeten investeren in fietspaden.
D
Fietsen is een goede manier om af te vallen.

Slide 21 - Quiz

Vragen over tekstrelaties (3)
Aanpak: 
1. Lees de tweede alinea goed en vraag jezelf af: wat heeft de schrijver voor bedoeling met deze alinea?
2. De eerste zin van de tweede alinea geeft de meeste informatie. Begin met het heel goed lezen en begrijpen van deze zin. 
3. Let hierbij goed op signaalwoorden. Staat in deze zin het signaalwoord ‘maar’, dan is er waarschijnlijk sprake van een tegenstelling, staat er ‘dus’, dan heb je veel kans dat je te maken hebt met een conclusie.
4. Lees vervolgens de twee alinea’s door om te checken of je vermoedelijke antwoord klopt.







Slide 22 - Slide

Welk signaalwoord geeft geen conclusie aan?
A
Kortom
B
Dus
C
Omdat
D
Daarom

Slide 23 - Quiz

Welke signaalwoord geeft geen verklaring aan?
A
Namelijk
B
Hierdoor
C
Immers
D
Aangezien

Slide 24 - Quiz