Woordenschat hoofdstuk 5 klas 2

Woordenschat
1 / 21
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 21 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Woordenschat

Slide 1 - Slide

Startopdracht
A onder zeil gaan - gaan slapen
B tussen wal en schip vallen - nergens bij horen
C zijn schepen achter zich verbranden - de terugtocht voor zichzelf onmogelijk maken 

Slide 2 - Slide

Startopdracht
D Het water loopt hem in de mond - Hij heeft er veel trek in.
E de wind in de zeilen hebben - geluk hebben 
F iemand in de boot nemen - iemand voor de gek houden

Slide 3 - Slide

Opdracht 1
a. aan het …. staan: de leiding hebben

Slide 4 - Open question

Opdracht 1
b. ...... halen: terugkrabbelen; minder eisen stellen

Slide 5 - Open question

Opdracht 1
c. goed in de ..... liggen: populair zijn

Slide 6 - Open question

Opdracht 1
d. een .... in het zeil houden: toezicht houden

Slide 7 - Open question

Opdracht 1
e. in .... gaan (met): samenwerken

Slide 8 - Open question

Opdracht 1
f. op de ..... gaan: failliet gaan

Slide 9 - Open question

Opdracht 1
g. over de ..... komen: betalen

Slide 10 - Open question

Opdracht 1
h. aan de ..... zijn: duur zijn

Slide 11 - Open question

Opdracht 2
De antwoorden zet ik klaar na deze LessonUp.
Kijk ze zorgvuldig na. 

Slide 12 - Slide


Opdracht 3
1 Beter een anker kwijt dan een heel schip.

A
antwoord a
B
antwoord g
C
antwoord c
D
antwoord h

Slide 13 - Quiz


Opdracht 3
2 Bij het scheiden van de markt leer je de kooplui kennen.

A
antwoord f
B
antwoord b
C
antwoord e
D
antwoord c

Slide 14 - Quiz


Opdracht 3
3 De kost gaat voor de baat uit.
A
antwoord c
B
antwoord d
C
antwoord h
D
antwoord f

Slide 15 - Quiz


Opdracht 3
4 Het oog van de meester maakt het paard vet.
A
antwoord b
B
antwoord d
C
antwoord a
D
antwoord h

Slide 16 - Quiz


Opdracht 3
5 Je moet roeien met de riemen die je hebt.
A
antwoord f
B
antwoord b
C
antwoord g
D
antwoord h

Slide 17 - Quiz


Opdracht 3
6 Op de wind van gisteren kun je vandaag niet zeilen.
A
antwoord h
B
antwoord e
C
antwoord a
D
antwoord c

Slide 18 - Quiz


Opdracht 3
7 Wie appelen vaart, die appelen eet.
A
antwoord a
B
antwoord e
C
antwoord c
D
antwoord b

Slide 19 - Quiz


Opdracht 3
8 Wiens brood men eet, diens woord men spreekt.
A
antwoord h
B
antwoord c
C
antwoord f
D
antwoord d

Slide 20 - Quiz

Opdracht 5 - mondeling

Slide 21 - Slide