les 5 B2n Tiere 1

1 / 16
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 2

This lesson contains 16 slides, with text slides.

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Willkommen im Deutschunterricht 5



Thema 2: Tiere
op tafel:
boek 3
etui
snelhechter 

Wat doen wij in deze les:
- stille startopdracht 
- klassikaal over dieren + werktijd
- stille ontspanning (mogelijkheid de SO in te zien)
- herhaling persoonsvormen
- volgende SO 14-04



Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Lesdoel
  1. Je hebt voorbeelden, hoe jij korte zinnen in het Duits kunt maken.
  2. Je kent "IDEWIS" en "FEESTTENTEN" nog
  3. Je weet dat het bewaren van de woordenlijst belangrijk is.

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

STILLE START
Lees de tekst op kopie 6:
Warum können Frösche so lange tauchen?

Wat betekent de koptekst? Schrijf het eronder.
Onderstreep de woorden, die je kunt vertalen.

timer
5:00
stil


Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Uitleg: lesen & sprechen over dieren
Wij gaan lezen en schrijven over het uiterlijk van dieren.
Jij maakt een schrijfopdracht met woordenboek in de les over je "lievelingsdier" - "een fabeldier"...voor een cijfer. (16-04)

grammatica: persoonsvormen in de tegenwoordige tijd + hoe moet je bijvoeglijke naamwoorden aanpassen aan het geslacht.



Slide 5 - Slide

This item has no instructions

grammatica Nederlands

Het is de bruine kat.
Het is een bruine kat.

MAAR
Het is het bruine konijn.
Het is een bruin konijn(o).
grammatica Duits

  • Das ist die braune Katze(v).
  • Das ist eine braune Katze(v).
  • Das ist der braune Hund(m).
  • Das ist ein brauner Hund(m).
  • Das ist das braune Kaninchen(o).
  • Das ist ein braunes Kaninchen(o).

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

Welches Tier siehst Du?
  • Ich sehe ein Kamel
  • Das Kamel hat einen Kopf (m).
  • Das Kamel hat einen Schwanz (m).
  • Das Kamel hat vier gute Pfoten (mv).
  • Das Fell (o) ist beige-braun.

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

Welches Tier siehst Du?
  • Ich sehe eine Katze (v).
  • Die Katze hat (1) eine kleine Nase (v).
  • Die Katze hat ein weiches Fell (o).
  • Die Katze hat 4 weiche Pfoten (mv)

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

AAN DE SLAG 1
Maak met een partner:

1. Neem samen een dier.
2. Schrijf met behulp van de woordenlist (kopie 6) en voorbeelden op kopie 7 vier zinnen over dit dier.
timer
10:00
stil


Wij vergelijken dit en dan hebben jullie 15 minuten ontspanning.

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

herhaling: ezelsbruggetje = IDEWIS
persoonlijke voornaamwoorden:
  • ich
  • du
  • er/sie/es
  • wir
  • ihr
  • sie/SIE
ik
jij/u
hij/zij/het
wij
jullie
zij
  • I
  • D
  • E
  • W
  • I
  • S

Slide 10 - Slide

This item has no instructions

IDEWIS + Feesttenten - Regel
Ook in het Duits maak je de persoonsvorm door 
STAMM + UITGANG (en deze is helemaal regelmatig!)
Je gebruikt het ezelsbruggetje bij het oefenen.

(uitzondering: haben, sein + andere hulpwerkwoorden)

Slide 11 - Slide

Slay

AAN DE SLAG 2
Werk met je buurman/buurvrouw samen

Open je Textarbeitsbuch 3, blz. 10
Maak Aufgabe (opdracht) 2b, 2c
Maak ook blz. 15 Aufgabe 10a, 10b
Hulp nodig? - Steek je vinger op!  

timer
10:00
stil


Wij vergelijken - wir vergleichen

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

Terugblik - hebben wij dit bereikt?
Nieuwe woordenlijst: Bewaar deze goed in je snelhechter, je hebt hem bij de schrijfopdrachten nodig.
Je weet het thema voor de volgende weken.
Je kent (nog) "IDEWIS" en "FEESTTENTEN" 



Slide 13 - Slide

This item has no instructions

Slide 14 - Slide

This item has no instructions

"feesttenten - regel" = Ezelsbruggetje om de juiste uitgang te onthouden

Slide 15 - Slide

This item has no instructions

uitleg:
der Schnabel - Ich sehe einen 

Slide 16 - Slide

This item has no instructions