Herhaling thema 5, 6 en 7

Herhaling thema 5, 6 en 7
1 / 31
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 31 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Herhaling thema 5, 6 en 7

Slide 1 - Slide

Regeling hormonen binas 89A

Slide 2 - Slide

Aantekening: bewuste reactie
Weg die impuls aflegt:
  1. receptor (zintuigcel)
  2. gevoelszenuwcel
  3. schakelcellen
  4. gevoelscentrum in grote hersenen
  5. bewegingscentrum in grote hersenen
  6. schakelcellen
  7. bewegingszenuwcel
  8. effector (spier of klier)

Slide 3 - Slide

B1 Homeostase en regelkringen
Homeostase

Negatieve en positieve terugkoppeling

In- en uitwendig milieu

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

         Binas 89A: Hormonen

Slide 6 - Slide

Typen zenuwcellen
BiNas 88A 

Er zijn drie typen zenuwcellen:

 - Schakelcel
 - Gevoelszenuwcellen
 - Bewegingszenuwcel

Slide 7 - Slide

Ruggenmerg
Hoe komen zenuwen het ruggenmerg binnen?

rugzijde: sensorisch/gevoel
buikzijde: motorisch/beweging

Slide 8 - Slide

Route van impulsen bij
een bewuste reactie
(Je voelt kou en besluit je vingers er uit te halen)

Zintuigcel (receptor)
Sensorische zenuwcel
Schakelcel in CZ
Hersenen
Schakelcel in CZ
Motorische zenuwcel
Spier- of kliercel (effector) 

Slide 9 - Slide

Reflexboog
BiNas 88K
= de weg die de impuls aflegt vanaf de plaats van prikkeling tot de plaats van handelen (spier- of kliercel)

Verloop van reflexboog:
  1. Zintuigcel (receptor)
  2. Sensorische zenuwcel
  3. Schakelcel in CZ
  4. Motorische zenuwcel
  5. Spier- of kliercel (effector)
  • --> Impuls komt niet aan in de hersenen 

Slide 10 - Slide

Impulsoverdracht
Neurotransmitters kunnen stimulerend of remmend zijn.

Drugs en veel medicijnen werken in op dit systeem.

Remmend
Alcohol, morfine, heroïne, cannabis
Stimulerend
Cocaïne, XTC, speed, nicotine, cafeïne


Slide 11 - Slide

Autonoom zenuwstelsel
BiNas 88L

Orthosympatisch (bij arbeid)

Parasympatisch (in rust)

Slide 12 - Slide

Typen spierweefsel
 1. Glad spierweefsel (in organen)
 2. Hart spierweefsel
 3. Dwarsgestreept
  spierweefsel (skeletspieren)

Slide 13 - Slide

Gedrag
Alles wat een mens of dier doet, is gedrag.
Gedrag bestaat uit reacties op prikkels.


Slide 14 - Slide

Gedrag beschrijven
Objectief!
Ethogram =
lijst van alle soorten gedrag die bij een dier voorkomen.

Protocol=
lijst van waargenomen gedragingen bij een dier.

Slide 15 - Slide

Enkele soorten gedrag
  • Territoriumgedrag
  • Dreiggedrag
  • Baltsgedrag
  • Ambivalentgedrag
  • Omgerichtgedrag

Slide 16 - Slide

Sociaal gedrag
Gedrag tussen soortgenoten

Slide 17 - Slide

leerprocessen
leerprocessen:
  • inprenting - in gevoelige periode
  • gewenning - reactie op prikkel neemt af
  • imitatie - na doen
  • proefondervindelijk - trial and error 
  • inzicht- ervaringen uit het verleden

Slide 18 - Slide

Pikorde bij hennen

Slide 19 - Slide

Het oog
BiNas 87C

Onderdelen en functies

Route licht door oog

Slide 20 - Slide

Bijziend en verziend
  • Lenzen kunnen worden ondersteund door "glazen lenzen"
  • Je kan verziend of bijziend zijn
  • Bijziend: Holle lens
  • Verziend: Bolle lens

Slide 21 - Slide

Niveaus van de ecologie
  • Individu
  • Populatie
  • Leefgemeenschap 
  • Ecosysteem 

 +   Biotoop
= alle abiotische factoren
= abiotisch + biotisch samen. bv. bos / woestijn

Slide 22 - Slide

Organismen hebben te maken met biotische en abiotische factoren...
biotische factoren
abiotische factoren

Slide 23 - Slide

Voedselketen:
  • Begint ALTIJD met een Producent -> Plant

  • Daarna komen consumenten 

  • Tussen de voedselketens staan altijd een pijltje.
  • Elke soort is een schakel in de voedselketen

plant -> planteneter -> vleeseter/alleseter

Slide 24 - Slide

Energiestromen

Slide 25 - Slide

Piramide van aantallen en biomassa
Een piramide van biomassa is anders dan een piramide van aantallen
= Piramide waarin van elke schakel is weergegeven hoeveel organismen nodig zijn om de laatste schakel te voeden.

Piramides van biomassa zijn ALTIJD piramide- vormig
Dat komt doordat er van het ene op het andere trofische niveau telkens wat energie verloren gaat.

Slide 26 - Slide

Stikstofkringloop

Slide 27 - Slide

Symbiose
  • Mutualisme: + / +
  • Commensalisme: + / 0
  • Parasitisme: - / +

    Geen symbiose:
  • Concurrentie - / -
  • Predatie - / +

Slide 28 - Slide

Exoten en Niche
  • wanneer een exoot een nieuwe niche inneemt, is de kans groot, dat de exoot overleeft/uitbreidt
  • wanneer de exoot dezelfde niche inneemt als een inheemse soort treedt concurrentie op, als de exoot wint zal hij zich kunnen handhaven/verspreiden (invasieve exoot) ten koste van de inheemse soort(en)

Slide 29 - Slide

Eutrofiëring

Slide 30 - Slide

Duurzaamheid
duurzaamheid
* Iets is duurzaam als het op korte en op lange termijn niet ten koste gaat van mensen of van de natuur


Slide 31 - Slide