Hoofdstuk 4

Hoofdstuk 4
1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
Marketing & CommunicatieMBOStudiejaar 2

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Hoofdstuk 4

Slide 1 - Tekstslide

Wat is een artikelgroep binnen een assortiment?
A
Een verzameling artikelen die in vergelijkbare situaties worden gebruikt.
B
De totale collectie producten die een winkel verkoopt.
C
Een specifieke uitvoering van een bepaald artikel.
D
De producten die het meest worden verkocht in een winkel.

Slide 2 - Quizvraag

Wat is de juiste volgorde van de indeling binnen een assortiment, van breed naar specifiek?
A
Assortimentsgroep → Artikelgroep → Artikelsoort → Artikelvariëteit
B
Artikelgroep → Assortimentsgroep → Artikelvariëteit → Artikelsoort
C
Artikelsoort → Assortimentsgroep → Artikelgroep → Artikelvariëteit
D
Assortimentsgroep → Artikelsoort → Artikelgroep → Artikelvariëteit

Slide 3 - Quizvraag

Wat is het verschil tussen een artikelgroep en een artikelsoort?
A
Een artikelgroep omvat alle artikelen van een winkel, terwijl een artikelsoort alleen de bestverkochte artikelen bevat.
B
Er is geen verschil; een artikelgroep en een artikelsoort betekenen hetzelfde.
C
Een artikelgroep is een verzameling artikelen die bij elkaar horen, terwijl een artikelsoort een specifieke uitvoering binnen die groep is.
D
Een artikelgroep bestaat uit verschillende assortimentsgroepen, terwijl een artikelsoort alle producten van een winkel omvat.

Slide 4 - Quizvraag

Slide 5 - Tekstslide

Wat is het belangrijkste kenmerk van het kernassortiment?
A
Het bestaat uit producten die als aanvulling dienen op andere artikelen.
B
Het bestaat uit tijdelijke producten die slechts een korte periode beschikbaar zijn.
C
Het bevat de artikelen die het meest worden verkocht en waar klanten altijd naar op zoek zijn.
D
Het omvat producten die ondersteunend zijn aan het aanvullend assortiment.

Slide 6 - Quizvraag

Wat is het verschil tussen een randassortiment en een aanvullend assortiment?
A
Het randassortiment bestaat uit tijdelijke producten, terwijl het aanvullend assortiment alleen uit vaste producten bestaat.
B
Het randassortiment bevat de meest verkochte producten, terwijl het aanvullend assortiment minder populaire producten omvat.
C
Het randassortiment ondersteunt het kernassortiment, terwijl het aanvullend assortiment bedoeld is om de winst te verhogen.
D
Er is geen verschil; beide termen betekenen hetzelfde.

Slide 7 - Quizvraag

Welke van de volgende rijtjes bevat alleen elementen die deel uitmaken van de productmix?
A
Fysiek product, merknaam, verpakking, distributiekanaal
B
Assortiment, service, garantie, kwaliteit
C
Verpakking, promotie, prijs, merknaam
D
Kwaliteit, klantensupport, logistiek, garantie

Slide 8 - Quizvraag

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Tekstslide

Wat is een kenmerk van convenience goods?
A
Ze worden vaak gekocht zonder veel nadenken en zijn gemakkelijk verkrijgbaar.
B
Het zijn producten waar je veel tijd en moeite voor neemt om de beste keuze te maken.
C
Het zijn producten die consumenten nog niet kennen en waar weinig vraag naar is.
D
Het zijn producten die vaak als aanvulling op een eerdere aankoop nodig zijn.

Slide 11 - Quizvraag

Welke van de volgende combinaties bevat alleen voorbeelden van substitutieartikelen?
A
Printer en cartridges, koffie en koffiemelk, sokken en schoenen
B
Elstar-appels en Braeburn-appels, braadpan en wok, rijst en aardappelen
C
Snoep bij de kassa, toiletpapier, wasmiddel
D
Paraplu bij plotselinge regen, uitvaartverzekering, testament

Slide 12 - Quizvraag

Wat is het belangrijkste verschil tussen shopping goods en unsought goods?
A
Shopping goods worden vaak spontaan gekocht, terwijl unsought goods meestal gepland worden aangeschaft.
B
Shopping goods zijn producten waarvoor consumenten bereid zijn moeite te doen, terwijl unsought goods vaak uitgesteld of vermeden worden.
C
Shopping goods zijn noodzakelijke producten voor dagelijks gebruik, terwijl unsought goods impulsaankopen zijn.
D
Shopping goods zijn altijd goedkoper dan unsought goods.

Slide 13 - Quizvraag

Wat is het belangrijkste verschil tussen complementaire artikelen en follow-up artikelen?
A
Complementaire artikelen vullen elkaar aan, terwijl follow-up artikelen nodig zijn om een eerder gekocht product te laten functioneren.
B
Complementaire artikelen worden vaak ongepland gekocht, terwijl follow-up artikelen altijd impulsartikelen zijn.
C
Complementaire artikelen kunnen elkaar vervangen, terwijl follow-up artikelen juist bedoeld zijn als alternatief.
D
Complementaire artikelen zijn altijd duurder dan follow-up artikelen.

Slide 14 - Quizvraag

Slide 15 - Tekstslide

Een schoenenwinkel besluit naast schoenen ook tassen en riemen te verkopen. Welke dimensie van het assortiment verandert hierdoor?
A
Diepte
B
Breedte
C
Hoogte
D
Lengte

Slide 16 - Quizvraag

Welke van de volgende situaties beschrijft een diep assortiment?
A
Een kledingwinkel verkoopt broeken, jurken, truien en accessoires.
B
Een sneakerwinkel biedt sneakers in veel verschillende merken, maten en kleuren aan.
C
Een supermarkt heeft een groot magazijn met veel voorraad per product.
D
Een winkel verhoogt de prijzen van alle producten om een luxer imago te krijgen.

Slide 17 - Quizvraag

Welke van de volgende winkels heeft het meest lange assortiment?
A
Een sportwinkel die alleen hardloopschoenen verkoopt in verschillende merken en modellen.
B
Een kledingwinkel die naast kleding ook schoenen en accessoires verkoopt.
C
Een elektronicawinkel die van elke laptop meerdere exemplaren in verschillende kleuren en specificaties op voorraad heeft.
D
Een supermarkt die een breed aanbod heeft, maar slechts een beperkte voorraad per product.

Slide 18 - Quizvraag

Welke van de volgende voorbeelden is een brand extension?
A
Een frisdrankmerk introduceert een nieuwe smaak binnen dezelfde productlijn.
B
Een sportkledingmerk begint met de verkoop van sportaccessoires zoals tassen en yogamatten.
C
Een bedrijf dat luxe auto’s produceert, brengt een goedkopere versie van een bestaand model op de markt.
D
Een snoepfabrikant werkt samen met een bekend chocolademerk om een nieuwe reep te ontwikkelen.

Slide 19 - Quizvraag

Wat is een kenmerk van co-branding?
A
Een merk introduceert een nieuw product onder dezelfde productlijn om klanten met een hoger budget aan te trekken.
B
Een bedrijf voegt goedkopere producten toe aan zijn assortiment om een breder publiek te bereiken.
C
Twee merken werken samen om een product te ontwikkelen dat de sterke punten van beide merken combineert.
D
Een merk brengt meerdere varianten van hetzelfde product uit, zoals verschillende smaken of verpakkingen.

Slide 20 - Quizvraag

Wat is het belangrijkste verschil tussen line stretching en line filling?
A
Line stretching breidt een productlijn uit naar een hoger of lager prijsniveau, terwijl line filling nieuwe varianten binnen dezelfde prijsklasse toevoegt.
B
Line stretching voegt alleen luxere producten toe, terwijl line filling alleen goedkopere producten toevoegt.
C
Line stretching richt zich op nieuwe verpakkingen, terwijl line filling zich beperkt tot nieuwe smaken.
D
Line stretching betekent het betreden van een nieuwe productcategorie, terwijl line filling alleen binnen een bestaande productlijn blijft.

Slide 21 - Quizvraag

Slide 22 - Tekstslide

Wat is een belangrijk kenmerk van een paraplumerk?
A
Elk product heeft een unieke merknaam.
B
Alle producten van een fabrikant vallen onder dezelfde merknaam.
C
De fabrikant gebruikt alleen merknamen van andere bedrijven.
D
Het merk wordt uitsluitend verkocht in discountwinkels.

Slide 23 - Quizvraag

Wat is het grootste verschil tussen een fabrikantenmerk en een winkelmerk?
A
Een fabrikantenmerk is exclusief voor één winkel, terwijl een winkelmerk overal verkocht wordt.
B
Een fabrikantenmerk is eigendom van een retailer, terwijl een winkelmerk door een fabrikant wordt beheerd.
C
Een fabrikantenmerk wordt door de producent op de markt gebracht, terwijl een winkelmerk eigendom is van een winkelorganisatie.
D
Een fabrikantenmerk heeft altijd een lagere prijs dan een winkelmerk.

Slide 24 - Quizvraag

Slide 25 - Tekstslide

Welke vorm van service wordt verleend vóór de verkoop?
A
Het aanbieden van garantie.
B
Het inpakken van een artikel na aankoop.
C
Het sfeervol inrichten van de winkel.
D
Het repareren van een defect artikel.

Slide 26 - Quizvraag

Wat is een voorbeeld van service tijdens de verkoop?
A
Het informeren van vaste klanten via een nieuwsbrief.
B
Het demonstreren van een artikel in de winkel.
C
Het bezorgen van artikelen bij de klant thuis.
D
Het aanbieden van een verlengde garantie na aankoop.

Slide 27 - Quizvraag

Wat is het belangrijkste doel van service na de verkoop?
A
Klanten helpen bij het vinden van de juiste producten.
B
De klant een positieve winkelervaring bieden en klantenbinding opbouwen.
C
De winkel aantrekkelijk maken voor potentiële klanten.
D
De winkel aantrekkelijk maken voor potentiële klanten.

Slide 28 - Quizvraag

Slide 29 - Tekstslide

Welke van de volgende kenmerken is typerend voor een dienst en niet voor een goed?
A
Een dienst kan worden opgeslagen en later worden geconsumeerd.
B
Een dienst is tastbaar en fysiek waarneembaar.
C
Een dienst wordt vaak gelijktijdig geproduceerd en geconsumeerd.
D
Een dienst verandert niet in kwaliteit of kenmerken.

Slide 30 - Quizvraag

Wat is een voorbeeld van een goed en geen dienst?
A
Een consult bij een dokter.
B
Een auto die wordt verkocht in een showroom
C
Een taxirit van het station naar huis.
D
Een fitnessles in de sportschool.

Slide 31 - Quizvraag

Waarom kunnen diensten niet worden opgeslagen zoals goederen?
A
Diensten zijn tastbaar en nemen veel ruimte in beslag
B
Diensten zijn vergankelijk en worden geproduceerd en geconsumeerd op hetzelfde moment.
C
Diensten worden geproduceerd in fabrieken en daarna gedistribueerd.
D
Diensten kunnen worden hergebruikt door andere klanten.

Slide 32 - Quizvraag