P3-K2 examentraining

Wat is de juiste volgorde in het stadium van zien?
A
monoculair, alternerend, fusioneel, simultaan, stereoscopisch,
B
monoculair, alternerend, simultaan, fusioneel, stereoscopisch,
C
simultaan, stereoscopisch, alternerend, monoculair, fusioneel
1 / 50
volgende
Slide 1: Quizvraag
P3-K2MBOStudiejaar 3

In deze les zitten 50 slides, met interactieve quizzen.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Wat is de juiste volgorde in het stadium van zien?
A
monoculair, alternerend, fusioneel, simultaan, stereoscopisch,
B
monoculair, alternerend, simultaan, fusioneel, stereoscopisch,
C
simultaan, stereoscopisch, alternerend, monoculair, fusioneel

Slide 1 - Quizvraag

Een klant wil graag zijn ogen laten opmeten. Tijdens de anamnese vertelt hij dat hij 6 maanden geleden te horen kreeg dat hij diabetes type 2 had.Wat kun je het beste doen?
A
Nu meten en nog een afspraak maken.
B
Nu meten en gelijk glazen bestellen.
C
Niet meten en naar de huisarts doorsturen.

Slide 2 - Quizvraag

Een klant komt in de winkel met het volgende brilvoorschrift: OD: S -0,75 = C -1,00 as 75 2 prisma 155°
OS: S -1,00
Benoem de forie-afwijkingen.
A
OD esoforie en OD hyperforie.
B
OD exoforie en OD hypoforie.
C
OD exoforie en OD hyperforie.
D
OD esoforie en OD hypoforie.

Slide 3 - Quizvraag

Je voert de WFD-test uit. De klant geeft aan dat hij drie figuren ziet. Wat is je volgende stap.
A
Je kunt nu door naar de binoculaire testen.
B
Je kunt nu niet door naar de binoculaire testen.

Slide 4 - Quizvraag

Je gaat de covertest uitvoeren. Moet je hier het licht aan of uit doen.
A
Aan
B
Uit

Slide 5 - Quizvraag

Tijdens de anamnese vertelt de klant dat hij sinds kort een soort vervorming waarneemt als hij naar een rechte lijn kijkt. Bij welke aandoening hoort dit symptoom?
A
Dit is een van de symptomen die horen bij glaucoom.
B
Dit is een van de symptomen die horen bij cataract.
C
Dit is een van de symptomen die horen bij macula degeneratie.

Slide 6 - Quizvraag

De benodigde correctie is S + 0,75 = C – 2,00 as 60°
De correctie in de pasbril is S +1,25 = C – 2,00 as 45°.
Bereken de KC-fout.
A
0,50 dpt
B
2, 00 dpt
C
1,00 dpt

Slide 7 - Quizvraag

Bij welke test wordt kort de samenwerking tussen de ogen verbroken?
A
Worth for dot test.
B
Wijzertest
C
Hakentest
D
Covertest.

Slide 8 - Quizvraag

Welke drie klachten passen het beste bij cataract?
A
Accommodatie wordt minder, last van fel licht en visusdaling.
B
Brilsterkte wordt positiever, visusdaling en geen klachten nabij.
C
Gezichtsveldverlies, last van fel licht en geen visusdaling.

Slide 9 - Quizvraag

Waardoor kan iemand met een exoforie toch binoculair enkelvoudig waarnemen?
A
Door positieve fusionele convergentie of NFC
B
Door negatieve fusionele convergentie of PFC.
C
Door positieve fusionele convergentie of PFC.
D
Door negatieve fusionele convergentie of NFC.

Slide 10 - Quizvraag

Welke vertekening veroorzaakt een sferisch positief brillenglas?


A
Asymmetrische vertekening.
B
Tonvormige vertekening.
C
Kussenvormige vertekening.
D
Symmetrische vertekening.

Slide 11 - Quizvraag

Welke brekingsindex geeft het minste chromatische aberratie?
A
1,50
B
1,6
C
1,57
D
1,74

Slide 12 - Quizvraag

Vul aan:
Bij enkelvoudig hypermetroop astigmatisme ligt één brandlijn......
A
op en de andere voor het netvlies.
B
op en de andere achter het netvlies.
C
voor en één brandlijn achter het netvlies.
D
op en de andere voor het netvlies.

Slide 13 - Quizvraag

Welke richting moet de basis van het prisma hebben als de convergentie voor nabij tekort schiet?

Prisma basis…
A
nasaal
B
temporaal
C
boven
D
onder

Slide 14 - Quizvraag

Je voert de stereopsistest of stereoscopisch zien test uit. Wat meet je met deze test?
A
Binoculairzien
B
Dieptezien
C
Comfortabelzien

Slide 15 - Quizvraag

In welke richting, in graden, moet de correctieprisma geplaatst worden als bij het rechteroog sprake is van een esoforie? Prisma basis…
A
180ᴼ
B
0ᴼ
C
90ᴼ
D
270ᴼ

Slide 16 - Quizvraag

Welke veranderingen treden op in het oog tijdens accommodatie?
A
Aanspannen van het corpus ciliaris, aanspannen van de lensvezels en toename van de optische ooglengte.
B
Boller worden van de ooglens, ontspannen van het corpus ciliaris en toename van de optische ooglengte.
C
Ontspannen van de lensvezels, bollen worden van de lens en toename van de optische ooglengte.

Slide 17 - Quizvraag

Welke manier is het meest nauwkeurig om de leesadditie te bepalen?
A
Foropter convergent zetten en afhankelijk van de leeftijd de leesadditie bepalen.
B
Pasbril gebruiken en afhankelijk van de visus de leesadditie bepalen.
C
Pasbril gebruiken en afhankelijk van de gewenste werkafstand de leesadditie bepalen.

Slide 18 - Quizvraag

In een refractieschema heb je kunnen zien dat de horizontale brandlijn 0,2 mm voor het netvlies staat en de verticale brandlijn 0,7 mm voor het netvlies staat. Welke brilcorrectie hoort hierbij?
A
S - 0.50 = C -1.25 as 90°
B
S - 0.50 = C -1.25 as 180°
C
S + 0.50 = C -1.25 as 90°
D
S + 0.50 = C -1.25 as 180°

Slide 19 - Quizvraag

Vul aan:
De gemiddelde sferische sterkte van een KC-glas is altijd...........
A
0
B
-0,25
C
+0,25

Slide 20 - Quizvraag

Een klant heeft een cilinder van 1,50 op 80° nodig, maar per ongeluk plaats je deze in de 50° richting.
Welke oogfout ontstaat er door deze vergissing?
A
-0,75 = C+1,50 as 110°
B
-0,75 = C+1,50 as 80°
C
+0,75 = C-1,50 as 110°
D
+0,75 = C-1,50 as 50°

Slide 21 - Quizvraag

Een klant heeft een cilinder van 1,50 op 80° nodig, maar per ongeluk plaats je deze in de 50° richting.
Welke overrefractie ontstaat er door deze vergissing?
A
+0,75 = C+1,50 as 110°
B
-0,75 = C+1,50 as 80°
C
+0,75 = C-1,50 as 50°
D
+0,75 = C-1,50 as 110°

Slide 22 - Quizvraag

Kun je met de dubbelwijzertest aniseikonie vaststellen bij een klant?
A
ja
B
nee

Slide 23 - Quizvraag

Is de monoculaire visustest een test met fusie?
A
ja
B
nee

Slide 24 - Quizvraag

Waar liggen R en P voor een ongecorrigeerde hypermetroop van +2.00 met een maximaal accommodatievermogen van 3 dioptrie?
A
R ligt 50 centimeter achter en P 33,33 centimeter voor het oog.
B
R ligt 100 centimeter voor en P 50 centimeter voor het oog.
C
R ligt 50 centimeter achter en P 100 centimeter voor het oog.

Slide 25 - Quizvraag

Een brildrager kijkt naar een smartphone op 33,33 cm vanaf HH’. Zijn pupilafstand is 67 mm. De hoornvliesafstand bedraagt 18,5 mm. De sterkte van de bril is S -5.00 dpt. Bereken de benodigde accommodatie met bril op.
A
2,00 dpt
B
2,50 dpt
C
3,00 dpt
D
3,33 dpt

Slide 26 - Quizvraag

Een brildrager kijkt naar een smartphone op 33,33 cm. vanaf HH’. Zijn pupilafstand is 67 mm. De hoornvliesafstand bedraagt 18,5 mm. De sterkte van de bril is S -5.00 dpt. Bereken de benodigde convergentie met bril.
A
15,50 prisma dpt.
B
16,00 prisma dpt.
C
16,25 prisma dpt.
D
16,75 prisma dpt.

Slide 27 - Quizvraag

Een klant krijgt voor de eerst keer een bril met de volgende correctie:
OD: S-4,50 = C-0,75 as 65°
OS: S-4,25 = C-0,50 as 130°
Je collega heeft hem verteld dat deze cilinder correctie de indruk wekt dat alles een beetje achterover kan hellen. Klopt dit?
A
ja
B
nee

Slide 28 - Quizvraag

Een klant krijgt voor de eerst keer een bril met de volgende correctie:
OD: S-4,50 = C+0,75 as 65°
OS: S-4,25 = C+0,50 as 130°
Je collega heeft hem verteld dat deze cilinder correctie de indruk wekt dat alles een beetje achterover kan hellen. Klopt dit?
A
ja
B
nee

Slide 29 - Quizvraag

Wat betekent dextroversie?
A
Beide ogen kijken naar rechts.
B
Beide ogen kijken naar links.
C
Een ogen kijkt naar rechts.
D
Een ogen kijkt naar links.

Slide 30 - Quizvraag

Hoe worden de omringende structuren van het oog (oogleden, wimpers etc.) ook wel genoemd?
A
Adnexa
B
Adnexum
C
Oogkas.

Slide 31 - Quizvraag

Op welke manier controleer je aan het einde van de binoculaire refractie het comfortabele zien?
A
Binoculair alleen met S + 0,25.
B
Binoculair alleen met S - 0,25.
C
Binoculair met S + 0,25 en eventueel S – 0,25.
D
Monoculair met S +0,25 en eventueel S – 0,25.

Slide 32 - Quizvraag

Wat is het kenmerk van de aniseikonie bij een torisch brillenglas?
A
De aniseikonie is in beide hoofdrichtingen verschillend.
B
De aniseikonie is in beide hoofdrichtingen gelijk.

Slide 33 - Quizvraag

Een chauffeur klaagt over zijn zicht tijdens het kijken in de linker buitenspiegel. Het brilrecept is R: S-6,25 L: -3,50.
Welke aanpassing in het brilrecept heeft het meest positieve effect?

A
Rechter glas nasaal decentreren.
B
Rechter glas temporaal decentreren.
C
Linker glas nasaal decentreren.
D
Linker glas temporaal decentreren.

Slide 34 - Quizvraag

Een klant heeft een prisma voor zijn
rechter oog en geeft aan het dit te zien
als hij naar een vierkant kijkt. Welke richting
heeft de prisma?
A
basis 180
B
basis 90
C
basis 270
D
basis 0

Slide 35 - Quizvraag

Een klant heeft een prisma voor zijn
rechter oog en geeft aan het dit te zien
als hij naar een vierkant kijkt. Welke richting
heeft de prisma?
A
basis 180
B
basis 90
C
basis 270
D
basis 0

Slide 36 - Quizvraag

Het Maddox glas is voor het rechteroog
geplaatst.
Welke forie is er aanwezig?

A
esoforie
B
exoforie
C
hypoforie
D
hyperforie

Slide 37 - Quizvraag

Het Maddox glas is voor het rechteroog
geplaatst.
Welke forie is er aanwezig?
A
esoforie
B
exoforie
C
hypoforie
D
hyperforie

Slide 38 - Quizvraag

Welke test wordt hier
afgebeeld?
A
Polatest
B
Hakentest
C
Kruistest

Slide 39 - Quizvraag

Welke forie is hier aanwezig als de
verticale lijnen met het rechteroog
worden gezien?
A
Exoforie
B
Esoforie
C
Heterotropie

Slide 40 - Quizvraag

Welke forie is hieronder aanwezig als de
bovenste helft met het rechteroog
wordt gezien?

A
esoforie
B
exoforie
C
hypoforie
D
hyperforie

Slide 41 - Quizvraag


Welke correctiesterkte
hoort bij deze
refractieschema?

A
S -0,25 = C -0,75 as 180◦
B
S -0,25 = C -1,00 as 90◦
C
S -0,25 = C -1,00 as 180◦
D
S -0,25 = C -0,75 as 90◦

Slide 42 - Quizvraag

Welk van onderstaande sterkte is een kruiscilinder?
A
S +0,25 =C -0,25
B
S-0,25 = C +0,75
C
S -0,50 = C +0,25
D
S+0,50 = C -1,00

Slide 43 - Quizvraag

De brilstrekte is S+5,00. De hoornvliesafstand is 18,5mm.
Bereken de vergroting van het gezichtsveld.

A
0,8725X
B
12,75X
C
1,8725X
D
0,1275X

Slide 44 - Quizvraag

De brilsterkte is S-8,00. De ha=18,5mm.
Bereken de vergroting of verkleining bij benadering in %.
A
0,862x
B
16% verkleining
C
16% vergroting

Slide 45 - Quizvraag

R: S -4,00=C-2,00 as 180
L: S -1,50=C-0,50 as 180
Wat is de graad van anisometropie in de verticale richting?
A
1,50
B
2,50
C
4,00
D
5,50

Slide 46 - Quizvraag

Een docent klaagt over zijn zicht tijdens het kijken naar links op een pc-scherm.
Het brilrecept luidt R: S+1,00 L: +4,00.
Welke instelbeweging moeten de ogen maken ?

A
divergeren
B
convergeren
C
fuseren

Slide 47 - Quizvraag

Waarom mag het tijdens Huphrie meetmethode de visus niet lager dan 0,7 zijn?
Vul aan: Om te voorkomen dat de .........
A
perifere visus verloren gaat
B
klant de letters niet meer kan zien
C
centrale visus verloren gaat

Slide 48 - Quizvraag

Waarom moeten we het licht aanzetten tijdens het uitvoeren van de binoculaire rood/groen test?
A
om de stand van de ogen beter te zien
B
om de fusie te bevoorderen
C
om de accommodatie uit te schakelen

Slide 49 - Quizvraag

Brilsterkte is ODS+4,25 dpt. Moet deze klant meer of minder accommoderen dan een emmetroop om te kunnen lezen op 33,33 cm?
A
meer
B
minder
C
even veel

Slide 50 - Quizvraag